Letters

Het alfabet heeft me altijd gefascineerd. Die fascinatie had te maken met de dag dat bij ons thuis de eerste delen van de encyclopedie werden bezorgd. Niet alle delen begonnen met een letter, maar het eerste deel wel. Bij die eerste letter stond een tabel met tekens; over de letter van het alfabet door de geschiedenis heen. Deze ontwikkeling begon bij het fenicisch, het teken voor de letter A, de aleph (een gestileerde os met horens, aleph betekent namelijk os). Gek genoeg schreven de Feniciërs helemaal niet met klinkers, ze schreven alleen maar met medeklinkers, en dat weten we van de talloze inscripties die ze nagelaten hebben. Hoe kon hun alfabet dan met een A beginnen? Waarschijnlijk gaf dit teken een gutturale klank aan die vóór de a werd uitgesproken, dus eigenlijk een medeklinker die in de loop van tijd verdween. De Grieken namen deze letter over als alfa, de eerste klinker in hun alfabet.
Als de deurbel ging rende ik naar de voordeur om te kijken of de postbode een pakket met de volgende delen van het naslagwerk kwam bezorgen. Ik sloeg ze allemaal meteen open op zoek naar de andere letters en bestudeerde de tabellen met tekens. Ik begon geheimschriften te ontwerpen. Ik had toen een vriend die net als ik behept was met een onmetelijke fantasie en hij kon goed tekenen. We schreven brieven in geheimschrift. We maakten kaarten, we ontwierpen nieuwe technologiën, we bedachten nieuwe gezelschapsspelletjes (die we met zijn tweeën met een zelfgemaakt bordspel speelden). Een blanco papiertje was voor ons het medium om onze fantasie werkelijkheid te laten worden, door eenvoudig tekens en lijnen met een pen of een potlood op papier te zetten. Voor ons kregen die bekladde velletjes papier leven met een derde dimensie en soms ook een vierde.
Met het ouder worden verdwijnen de nieuwsgierigheid en de fantasie niet echt, ze worden opgeborgen. Af en toe komt het er weer uit en dan zeggen ze dat een man nooit echt helemaal volwassen zal worden. Achter dat aangemeten masker van weloverwogenheid, rust en volwassenheid borrelt en kookt het op een langzaam pitje, dan rammelt het deksel dat steeds op zijn plaats moet worden gehouden. Datzelfde deksel dat af en toe opgelicht moet worden om de druk te verminderen. Maar niet teveel anders kijkt de omgeving je aan met een meewarige blik; hou je nu maar in want aan die fantasieën van jou heeft niemand iets, ze zijn niet realistisch, je verdient daar toch geen droog brood mee!
In een opwelling, het deksel vloog even van de pan en zweefde minutenlang op de druk van de ontsnappende inhoud, begon ik te schrijven. Ik schreef aan één stuk door totdat ik me bedacht dat ik helemaal niet weet hoe je moet schrijven. Ik haalde alles door elkaar, daarna haalde ik alles door, en wat er toen overbleef was het begin van het einde of het einde van het begin, niet meer dan een paar alinea's waar geen touw aan vast te knopen was.

“Haastig krabbelde hij de tekens op de achterkant van het stukje papyrus dat hij altijd bij zich droeg in een gouden kokertje. Op de voorzijde stond een miniatuur afbeelding van Isis die het kleine kindje Horus de borst gaf. Geluk moest dat brengen. Het moest het kwade weren. Maar nu was het kwade zo groot geworden dat hij vreesde voor zijn leven. Inkt had hij niet. Hij had met de puntige veer zijn vinger geprikt en met zijn bloed kraste hij de tekens in de hoop dat ze niet zouden uitvloeien en onleesbaar worden. Hij blies tegen het papyrus om de letters te laten drogen. Voorzichtig rolde hij het velletje weer op en schoof het in het kokertje. Zijn hand trilde toen hij de dop er op deed. Haastig sprong hij overeind en doofde het enige olielampje dat op de tafel stond. De schaduw van zijn hand die op de muur danste deed hem schrikken, alsof er iemand achter hem stond die naar hem uitreikte.
Meer kon hij zich niet herinneren van dat moment. Zijn hoofd deed pijn, de touwen aan zijn handen en zijn voeten sneden het vel aan zijn polsen en enkels open. Zijn maag trok samen. Hij proefde de klei van de aangestampte vloer. Vlekken dansten voor zijn ogen. Het denken viel hem moeilijk. Hoe hij hier terecht was gekomen wist hij niet. Waren ze hem toch op het spoor gekomen? Misschien had hij beter niet naar huis kunnen gaan. Het kokertje! Hij voelde vaag de ketting om zijn hals en hij concentreerde zich om te voelen of het kokertje nog tegen zijn huid drukte.
Opnieuw trok zijn maag samen. Onwillekeurig vertrok zijn mond, de spieren in zijn hele lichaam en in zijn gezicht trokken gelijktijdig samen. Gedachten werden verdrongen door felrode vlekken, toen paars, groen, geel. Zijn keel voelde droog, opgezwollen. Ook al wilde hij het uitschreeuwen van de pijn meer dan kreunen lukte hem niet. Alles rook zuur van het braaksel.
Is het waar dat vlak voor de dood je hele leven aan je voorbij trekt? Of is het een droom waar je geen controle over hebt en zie je alleen vage beelden, beleef je primaire gevoelens van angst, liefde, woede, blijdschap. Of alleen angst. Zouden de gezichten van zijn geliefden hem voor de ogen hebben gedanst? Zag hij de gezichten van zijn ergste vijanden die hem dood wensten? Zou hij nog de kracht hebben gehad om zijn vijanden te verwensen? Of zou hij bezorgd zijn geweest voor hen die hij zou achterlaten? Zonder zijn hulp.
Hij zonk weg, de laatste verkramping maakte zich van hem meester, zijn laatste hartslag. Daarna niets dan de stilte van de nacht.

Handen trokken aan het lichaam, sleepten het naar de waterkant en legden het op een rieten bootje. Met een lange stok bewoog het bootje voort over het stille donkere water. Een voet verschoof het lichaam zodat het met een zachte plons in het water gleed. Op dat moment wierp de maan haar eerste stralen aarzelend over de bergtop.”

Geschreven door T. Kriek, juli 2011

Laatst gewijzigd 13/07/2014

Reisgids mee?

Download Reisgids
©2019 Tharros.info Sitemap Privacy Contact