Het Proefschrift

De lijvige rector magnificus gebaarde naar de stoel voor de rij tafels. Hij keek onderzoekend, als een worstelaar die zijn tegenstander taxeert op kracht en lichaamsbouw. Onwillekeurig keurde Bastiaan zijn eigen handen en de onregelmatige randen van zijn afgekloven nagels. Schrapend schoven de stoelpoten van metaal over het linoleum uiteen onder zijn gewicht. Schemerlicht, gedempt door vitrage waarvan de kleur het hield tussen een stofdoek die over een sinds lang verwaarloosde bovenkant van een boekenkast was gehaald en de werkkleding van een magazijnbediende, vulde het zaaltje. De schimmelgeur die hem vanuit de diepste kelders tegemoet walmde toen hij door de deur van het universiteitsgebouw binnentrad, had bezit genomen van zijn reukorgaan.
Tegenover hem zat de commissie; de kerkhistoricus Hoveling met zijn tot minzame glimlach vertrokken smalle mond, de rechtsgeleerde Rusken, het overhemd strakgetrokken om zijn buik, en de jonge docent gentechnologie waarvan het ronde brilletje en het warrige kapsel charmant op hem overkwam.
De rector zette zijn leesbril op en opende een kartonnen mapje met een beweging alsof hij een antieke op perkament beschreven brief wilde bestuderen.
“We zullen er niet omheen draaien. Het proefschrift dat u aan het schrijven bent is onacceptabel. De commissie vindt dat u geen aanspraak meer kunt doen op begeleiding.”
Het was alsof ze allemaal konden horen dat hij slikte. Zijn stembanden trilden ongecontroleerd.
“Waarom?”
“Wijlen professor Schoonbroek schrijft: ‘Ondanks herhaalde verzoeken van mijn zijde het op te geven gaat hij door met het sturen van manuscripten om deze van commentaar te laten voorzien.’”
Bastiaan herinnerde zich de norse maar gedegen docent die naam had gemaakt met zijn veldonderzoek. De man kon altijd smakelijk vertellen aan de hand van weinig concrete archeologische vondsten en Bastiaan liet zich gedurende het college graag meeslepen in ongebreidelde fantasiebeelden.
“Het tart alle regels voor een wetenschappelijk werk.”
Bastiaan probeerde diep adem te halen om zijn zenuwen onder bedwang te krijgen, waardoor het leek alsof hij zuchtte. De drie oudere heren achter de tafel keken geïrriteerd op, alleen de jonge docent glimlachte bemoedigend.
“Weledelgeleerde heren.”, begon Bastiaan en hoopte dat ze het niet ironisch zouden opvatten: “U zegt dat mijn proefschrift niet wetenschappelijk is. Het is inderdaad onconventioneel.”
De kerkhistoricus lachte schamper: “Ik zou niet weten hoe u dat anders kunt zien.”
Bastiaan liet zich niet van zijn stuk brengen. “Wat zou u de kenmerken van een wetenschappelijk werk noemen?”
“Is dit een retorische vraag?”, vroeg de rector: “Anders heeft u dat blijkbaar gemist aan het begin van uw studie.”
“Wat ik zeg is dat mijn proefschrift een wetenschappelijk werk is.”, antwoordde Bastiaan.
De rechtsgeleerde liep rood aan: “Hoe durft u. Het is een ordinaire roman.”
“Uw werk is een aanfluiting.”, beaamde de kerkhistoricus.
“De wetenschappelijkheid ervan kan ik wel degelijk verdedigen als u wilt luisteren.”, wierp Bastiaan tegen.
“Het is een schande dat u probeert met een roman aanspraak te maken op promotie.”, riep de rector.
“De wijze waarop u de antieke schrijvers afdoet als propagandisten is schrijnend.”, sputterde de rechtsgeleerde.
“Uw uitspraak dat het Oude Testament een slecht geschreven, op een hoop gegooide verzameling teksten is kan niet getolereerd worden.”, riep de kerkhistoricus over de anderen heen.
De jonge docent intervenieerde: “Waarde collega’s, zullen we zijn argumenten aanhoren?”
De rector zwichtte: “Ik zou niet graag van onredelijkheid worden beticht. Ik verzoek u kort en bondig te zijn.”
Bastiaan schoof op zijn stoel, het klikkende geluid van de wiebelende zitting droeg niet bij aan de waardige verdediging die hij zo graag had willen voeren.
“In de inleiding van het werk zult u het dilemma dat wetenschappers al sinds tijden hebben terugvinden. De roman is gebaseerd op jarenlange studie van literatuur en archeologische opgravingen. De noten verwijzen naar de bibliografie achterin, en in de conclusie geeft de hoofdpersoon een antwoord op de centrale vraag.”
De rector magnificus zette zijn leesbril af en liet het aan het touwtje om zijn nek bungelen.
“Als ik uw redenering volg.”, zei hij langzaam, alsof hij naar de juiste woorden zocht: “Dan zou elke roman een wetenschappelijk werk kunnen zijn. Maar hoeveel boeken zijn er niet uitgekomen waar het publiek ongegeneerd van smult, die overtuigend lijken in hun onderzoek en argumentatie, maar die geen enkele grond van wetenschappelijkheid hebben?”
Bastiaan glimlachte. De rust keerde in zijn lichaam terug nu er een uitdaging lag waar hij een antwoord op moest formuleren.
“U refereert aan de mateloos populaire boeken die zijn verschenen? Ik ben het met u eens dat deze geen aanspraak kunnen maken op het predikaat waarheidsgetrouw. Ik zou niet durven beweren dat er geen kern van waarheid in zit, alleen dat niemand weet welke dat is.”
“Net als internet.”, voegde de jonge docent toe. Zijn ogen schitterden achter de glazen van zijn brilletje: “Waar niemand van weet wat er wel of niet klopt. Ik ben zelf geïnteresseerd in geschiedenis en ik moet zeggen dat ik met plezier uw proefschrift heb gelezen.”
“Mijnheer Broere.”, zei de rector scherp: “We zijn hier niet om een oordeel te geven over de literaire waarde.”
De kerkhistoricus vouwde zijn handen: “Wat is nu uw punt?”
Bastiaan voelde de warmte van de formica zitting die zich langzaam aan zijn broek hechtte door de vuiligheid van jarenlang veelzijdig dienstgebruik.
“Mijn punt is dat de wetenschappelijkheid gewaarborgd is en dat elke lezer de informatie kan traceren.”
De kerkhistoricus schudde zijn hoofd: “Het is zinloos.”
Bastiaan voelde de adrenaline in zijn lichaam pompen: “En wie interesseert zich nu voor de manier van weergeven van teksten door uitgedroogde wereldvreemde bibliotheekwetenschappers?”
“Mijnheer Contraire!”, riep de rector.
De jonge docent probeerde zijn brede grijns voor de anderen verborgen te houden. Bastiaan was niet meer te houden.“Jullie professoren maken een dwangbuis van elke studie. Het is jullie interpretatie van wetenschap die de grenzen stelt aan de kennis die een student kan opdoen. Als iemand te ver buiten de bekende paden treedt, roepen jullie die tot de orde alsof het een onwetenschappelijke fantast is.”
De kerkhistoricus trok een smalend gezicht.
Zou Richelieu er zo hebben uitgezien wanneer hij een doodvonnis tekende?

Dit verhaal verscheen eerder op de website van Duizendwoorden

Laatst gewijzigd 13/07/2014

Reisgids mee?

Download Reisgids
©2019 Tharros.info Sitemap Privacy Contact