Efisio

Op zijn fluitsignaal, tweemaal kort en hoog, sprong de zwart-wit gevlekte bastaard op en rende door het hoge gras in een bocht om de kudde heen, zijn kop naar beneden. De oudsten die de weg kenden hoefden niet bijgestuurd te worden, maar de jonge blaters wilden nog wel eens andere kant uit gaan. Efisio floot weer kort. De bastaard legde zich plat op de grond tot het afgedwaalde schaap teruggehobbeld was in lijn met de rest van de golvende ruggen. Bij elke stap probeerde hij zijn voet zodanig neer te zetten dat de pijn het kortst duurde.
Efisio had niks tegen Pasqualina gezegd. Het zou wel weer overgaan. Toen zijn vrouw hem opzocht in de hoger gelegen zomerweides had ze hem schuin aangekeken terwijl ze het buideltje met brood en worst overhandigde.
‘Wat is er met je been?’
Hij had zijn hoofd afgekeerd.
‘Niets’
Ze zweeg er verder over. Pasqualina had haar hoofddoek weer omgebonden en was naar huis teruggekeerd. Efisio had haar nagekeken, iets wat hij anders nooit deed. Leunend op zijn stok volgde hij haar licht gebogen rug en de heen en weer zwaaiende zoom van haar rok, die net boven haar kuiten viel, tot ze over de rand van de heuvel was verdwenen. Zou ze zich hebben omgedraaid om te zwaaien dan zou hij de bastaard over de kop hebben geaaid om niet te laten zien dat hij haar volgde. Maar ze draaide zich niet meer om.
Bij de eerste boerderijen ging de zandweg over in asfalt. De lucht vulde zich met de benzinedampen van de traktoren die de akkers omploegden. Hij tilde zijn baret op en veegde met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd. Het was nog steeds warm voor de tijd van het jaar. De kudde bekeutelde mekkerend het wegdek en versnelde de pas. De waterbak aan het einde van de reis lonkte. Moeizaam volgde hij, half in de berm om het harde asfalt te vermijden. Als hij iemand zag aankomen rechtte hij zijn rug, leunde wat zwaarder op zijn stok of hij bleef staan om zijn hand in de lucht te steken ter begroeting. Zolang ze maar niet konden zien dat hij, Efisio, een gebrek zou kunnen hebben.

‘Je loopt kreupel, Efisio,’ zei ze, nog voor hij de deur goed en wel dicht had gedaan. Pasqualina stond met de rug naar hem toe aan het butaan gasfornuis, in haar ene hand een geplukte kip, in de andere de nog brandende lucifer waar ze het pitje mee had aangestoken. Zijn baret bleef halverwege hoofd en kapstok zweven. Langzaam liet hij het hoofddeksel zakken en steunde op zijn stok.
‘Laat de dokter er naar kijken.’
De geur van brandende veren prikkelde zijn neus. Met snelle bewegingen draaide ze het levenloze lichaam van de vogel boven het vuur. Vonken knetterden op het fornuis.
Zonder antwoord te geven draaide Efisio zich om en stapte naar buiten. De bastaard, die met zijn kop op zijn voorpoten voor de deur lag, volgde Efisio met zijn ogen. De kippen schuifelden op de kistjes waar ze hun nachtverblijf van hadden gemaakt. In de stal kauwde de ezel op wat stro. Efisio pakte de hooivork en schoof het dier, die ze de naam Pippo hadden gegeven, een nieuwe voorraad voor de poten zonder te letten op de overdaad die de ezel al eerder voorgeschoteld had gekregen door zijn vrouw. Zo heftig was de steek in zijn knie dat hij op de hooivork moest steunen om niet om te vallen. Efisio hijgde.
De laatste keer dat hij ziek was geweest kon hij zich nauwelijks herinneren, zo jong was hij toen nog. Het was koud en hij had liggen rillen. Om het warm te krijgen had hij zijn deken genomen en was tussen de honden gaan liggen. Toen zijn vader hem de volgende ochtend vond had hij eerst een tijd staan schelden omdat er twee schapen te ver afgedwaald waren.
‘Voor je het weet heeft een ander ze in de kudde opgenomen en zijn we ze kwijt’
Zijn vader had hem vervolgens met deken en al opgepakt en de berg af naar huis gedragen. Daar verzorgde zijn moeder hem.
Vanuit de keuken klonk het gekletter van pannen en even later het gebrom van de waterpomp die aansloeg. Hij smeet de hooivork in een hoek. De ezel keek verstoord naar de plek waar de steel van het gereedschap tegen de muur klapte.

Pasqualina viste de poot uit de braadpan en legde deze op zijn bord voor haar man. Ze wist wat hij wilde. Onder het felle licht van de lamp die hoog boven de tafel hing stroopte haar man het van vet druipende vel van het vlees af en stak het in zijn mond. Ze herinnerde zich de schampere toon van Efisio wanneer ze hem vertelde dat de dokter was geweest voor een van hun zoons. Pasqualina verzamelde moed.
‘Morgen is er spreekuur’.
Hij kloof de botten af en smakte.
‘Ik heb geen dokter nodig’.
Hij likte zijn vingers af en greep naar zijn mes om een stuk af te snijden van de overgebleven kip in de braadpan.
‘Je zoon belde nog. Hij zei dat ze een nieuw huis hebben gekocht en dat ze ons nog het nieuwe telefoonnummer laten weten’, zei ze in een poging het gesprek een luchtigere wending te geven.
‘Mooi’
Ze hield haar aandacht bij de salade die ze op haar bord schepte. Buiten knetterde de uitlaatpijp van een passerende scooter. Efisio schonk zich met een bruuske beweging wijn in en goot er water bij. Met een klap belandde het lege glas weer op tafel. De oprisping die volgde onderdrukte hij niet. Pasqualina deed alsof ze het niet merkte. Eens moest ze het hem zeggen.
‘Je zou ook met pensioen kunnen gaan. De kudde verkopen.’
Zijn mes klapte op tafel.
‘Nooit’
Ze stond op en stapelde de pannen op de borden.
‘Je zoon vindt ook dat je naar de dokter moet gaan. Je bent niet meer zo jong. Dat vindt hij ook’.
Ze liep snel naar de keuken met de stapel borden en pannen tegen zich aangeklemd zonder hem aan te kijken. Ze veegde haar handen af aan haar schort. Door het keukenraam zag ze haar man naar buiten komen om een bord met de resten van de kip voor de bastaard neer te zetten. Terwijl de hond van het bord at bleef hij er naast zitten op een stoeltje en aaide het beest over de kop. Ze hoorde Efisio mopperen: ‘Ik zorg toch altijd goed voor mezelf?’
Mechanisch sponste ze de borden met zeep. De ochtenden die ze vroeg opstond en kilometers te voet aflegde om in de velden tomaten te plukken. Voor een paar centen. Voor dat schriftje voor haar zoon. Een balpen voor de andere. De dag dat haar oudste zoon afscheid van haar nam, een koffer met kleren in zijn hand. Toen Efisio thuis was gekomen en het hoorde had hij zonder een woord zijn baret opgezet en was de deur uitgegaan. Midden in de nacht kwam hij thuis. Stomdronken. Ja, hij zorgde goed voor zichzelf. Ze kneep haar ogen dicht, zuchtte en zette met een klap de van zeepwater druipende pan op het fornuis.

Die nacht leek het bed te schudden alsof ze op een kar vol stro lag, voortgetrokken door de ezel over een hobbelige zandweg, met een binnensmonds vloekende menner op de bok. Pasqualina draaide zich om.
‘Leg een kussen onder je knie’.
Het onverstaanbare gegrom maakte haar duidelijk dat hij dat niet van plan was.
In de verte sloeg een hond aan. Een andere antwoordde. Het was een van die nachten waarin de dieren hun stem lieten horen. Het hondegeblaf, het hanengekraai, het balken van de ezels en het geschreeuw van de varkens vormden een onophoudelijk concert.
‘Zo kan ik niet slapen’, mopperde Efisio naast haar.
Hij knipte het licht aan wat Pasqualina een moment verblindde. Ze hoorde hoe hij door de slaapkamer schuifelde gevolgd door het gepiep van scharnieren. Rust. Ze dommelde weg op de geluiden van buiten, tot het gestommel, de schuivende lades, de klappende deurtjes en het gemopper haar weer wakker maakte. Ze klom uit bed en sloeg een vest om haar schouders. De nachten waren koud en vochtig. Ze trof Efisio aan die in een lade rommelde terwijl hij op de rand van het meubel steunde.
‘Wat zoek je?’
‘Niets’
‘Kom toch naar bed’
‘Ik heb geen slaap. Waar zijn die verdomde papieren’
‘Welke papieren?’
Alle documenten lagen in de la in de slaapkamer, maar omdat hij niet antwoordde haalde ze haar schouders op en keerde terug naar bed. Dat hij nog wel even bezig zou zijn kon haar niet deren.

Het gesnurk van haar man wekte haar in de ochtend. Ze voelde harde stof tegen haar been schrapen. Efisio had het gehaakte kussen van de stoel in de slaapkamer onder zijn knie gelegd. Ze glimlachte in zichzelf.
Voor Pasqualina begon de dag als ieder andere met de zorg voor het huis en de dieren. Ze raapte elke dag de eieren die de kippen hadden gelegd. In de koelkast was er al geen plaats meer en in elke hoek van de keuken stond wel een schaal tot de rand toe gevuld. Zelfs voor dokter Bonetti had ze een mandje meegenomen toen ze hem om raad kwam vragen voor haar man. Hij had haar geantwoord dat Efisio zelf maar moest komen.
In de schuur schoof ze de overdaad aan hooi voor de ezel weg. Ook al had het beest niet meer zoveel te doen nu het hout voor de open haard aan huis werd gebracht en Efisio met zijn scooter naar het dorp ging, ze wilden hun trouwe Pippo niet kwijt. Het bewijs van eigendom van de ezel bewaarde ze zorgvuldig bij de papieren van de oude Vespa. Het door roest aangetaste rode vehikel leunde stil tegen de muur.
Eenmaal terug in de keuken zette ze een pannetje op het vuur en warmde de melk op waar ze een scheutje koude koffie door roerde.
‘Waar is mijn nette broek’, hoorde ze haar man uit de slaapkamer roepen. Efisio was wakker. Ze zette zich aan de tafel met haar kom. Haar oog viel op een stapel papieren.
‘Wat moet je met deze papieren?’, vroeg ze.
Ze kreeg geen antwoord. Steunend op zijn stok passeerde Efisio haar, stak de papieren in de binnenzak van zijn ribfluwelen jasje en liep hinkend de deur uit.
Hij had de oude scooter al midden op straat gestart toen ze naar buiten kwam.
‘Wat ga je doen?’
‘Naar de dokter.’
Het was al bijna onverstaanbaar omdat hij voluit gas gaf. Langzaam trok de scooter op.

Dokter Bonetti zakte achterover in zijn leren stoel die krakend meegaf. Gelukkig zat de wachtkamer vandaag niet vol met oude vrouwtjes die klaagden over diabetes en ellenlange verhalen ophingen over hun kinderen. Hij telde de jaren die hij nog te gaan had in deze praktijk voor de nationale gezondheidsdienst. Dan zou hij in ieder geval van een staatspensioen verzekerd zijn en kon hij zich in Sassari vestigen.
De deur van zijn spreekkamer zwaaide open en belandde met een klap tegen de kast die er vlak naast stond. Terwijl Bonetti geschrokken naar voren schoot in zijn stoel strompelde Efisio naar binnen gevolgd door de protesterende assistente die aan de mouw van zijn jasje trok.
‘U kunt niet zomaar hier binnen komen meneer’, hijgde ze buiten adem
‘Ik moet de dokter spreken’, riep Efisio met harde stem terwijl hij zich losrukte.
Een walm van kamfer en ongewassen wol vulde de spreekkamer die hij altijd zorgvuldig steriel hield.
‘Neemt u me niet kwalijk dokter, ik kon hem niet meer tegenhouden.’, stamelde de assistente verontschuldigend.
Bonetti zakte terug in zijn stoel. Hij had geen zin om zich kwaad te maken. Geruststellend hief hij zijn hand op en schudde zijn hoofd.
‘Als meneer perse niet wil wachten. Er is nu toch niemand.’
De assistente wierp Efisio een boze blik toe en sloot de deur met een klap, net hard genoeg om Efisio om te laten kijken, maar niet te hard om geen reprimande te krijgen van de dokter.
‘Gaat u zitten.’
Bonetti wees Efisio één van de twee stoelen aan die voor zijn bureau stonden.
‘Wat is uw naam?’
Efisio nam zijn baret af en ging op de stoel zitten die de dokter niet had aangewezen. De stok plantte hij stevig voor zich, de baret nog tussen zijn handen geklemd.
‘Porcu’, de oude ogen keken de dokter uitdagend aan.
Nog de vorige week was Dokter Bonetti in de bar van het dorp in een discussie verwikkeld geraakt. Alle aanwezigen hadden zich in het gesprek gemengd wat uitmondde in een oorverdovende babilonische spraakverwarring van oorzaak en gevolg waarin de deelnemers met het grootste stemvolume het gelijk aan hun kant probeerden te krijgen. Elk accent onderstreepten ze met een vuistslag op tafel. De discussie eindigde toen de eerste glazen door de trillingen van de tafel dansten en de wijn te midden van de glasscherven over de vloer stroomde. Geen woord had hij er meer tussen kunnen krijgen.
‘Wat kan ik voor u betekenen?’
Efisio wees op zijn knie, boven de te korte pijpen van zijn ribfluwelen broek: ‘Het wil niet over gaan.’
Efisio’s zoons had hij vaak genoeg bezocht als ze ziek waren en onlangs was zijn vrouw hier nog geweest.
‘Laat hem zelf maar komen.’
Ze had hem zwijgend aangekeken en toen haar hoofd gebogen. De eieren die ze had meegebracht had hij aan zijn assistente gegeven.
Bonetti wilde zich niet laten overdonderen door zijn patient. Hij pakte een onbeschreven vel papier en zijn goudgerande vulpen: ‘Heeft u uw verzekeringsbewijs bij zich?’
Efisio, die zijn bewegingen nauwgezet had gevolgd, tastte in zijn binnenzak en haalde er de papieren uit die hij op het bureau klapte.
‘Deze?’, vroeg Bonetti.
Hij had er spijt van dat hij Efisio niet had teruggewezen naar de wachtkamer om hem daar een paar uur te laten zitten. Efisio trok een grauw beduimelde dubbelgevouwen kaart uit een plastic mapje en overhandigde deze. Bonetti opende het document en zette zijn leesbril op. Hij las hardop: ‘Kort grijs haar, bruine ogen.’
Dokter Bonetti ontspande zich en zakte terug in zijn leren stoel. Zijn mondhoeken krulden onwillekeurig omhoog.

Als de dokter nu pillen voorschreef dan kon hij weer weg. De kille witgepleisterde omgeving en de vitrinekasten gevuld met potjes en doosjes stelden hem toch al niet op zijn gemak, net als het metalen geraamte van het met nepleer beklede onderzoeksbed dat hij vanuit zijn ooghoek kon zien. Alleen de gedachte aan zijn kudde had Efisio voortgedreven.
Hij zat op de rand van de stoel in afwachting van het recept. De grijns die rond de mond van dokter Bonetti speelde terwijl deze achterover zakte maakte zijn afkeer van dokters alleen maar groter.
Bonetti keek hem over zijn leesbril aan.
‘Roepnaam Pippo?’
Efisio boog naar voren en tikte met zijn wijsvinger op het bureau: ‘Efisio, daar staat Efisio’
Net toen Bonetti de beduimelde kaart weer dubbelsloeg rinkelde de telefoon. De dokter nam de hoorn van de haak en luisterde aandachtig. Hij legde de hoorn weer neer en keek Efisio grijnzend aan.
‘Dat was je vrouw. Ze belde om te zeggen dat je je verzekeringsbewijs bent vergeten.’
Hij hield de kaart omhoog: ‘Dit is het eigendomsbewijs van de ezel.’
Zonder een woord uit te kunnen brengen nam Efisio het document van Bonetti aan en stak het stapeltje papieren in zijn binnenzak. Zijn hand trilde. Hij wenste zich ver van deze stoel, met zijn hond achter zijn kudde. Als hij al struikelde of uitgleed lachte niemand hem uit, maar kwam de bastaard naar hem toe en duwde zijn neus in zijn nek. Dan kon hij nog om zichzelf lachen.
De dokter stond op.
‘Zullen we dan nu maar naar de knie kijken?’
Efisio boog het hoofd. Zijn schouders zakten in.

Pasqualina vroeg hem wat de dokter had gezegd.
‘Ik moet rust houden’, antwoordde hij, hing zijn baret aan de kapstok en zette de stok in de hoek. De doos met pillen gooide hij op tafel en zelf verdween hij naar de slaapkamer. Ze keerde zich naar het snijblok, nam het mes in de hand en sneed de prei aan fijne reepjes. Ze glimlachte. Later zou ze de bijsluiter lezen.

De bastaard kwispelde. Zolang de kudde in de winterweide door de hoge cactushagen niet ver kon afdwalen hoefde de hond niet in actie te komen. Efisio leunde tegen de koude buizen van het metalen hek. Met zijn stok wroette hij in de verbrokkelde aarde. Absolute rust had dokter Bonetti voorgeschreven.
‘Met een gescheurde knieband kan het behoorlijk uit de hand lopen.’
Maar hij zou Efisio niet zijn als hij niet elke dag met de scooter naar het weiland zou rijden, de bastaard tussen de benen met zijn natte neus in de wind. Voor Efisio was dat al teveel rust. Binnenkort zouden de eerste lammeren geboren worden.

geschreven december 2007 door T. Kriek

Reageren?

Laatst gewijzigd 07/07/2014

Reisgids mee?

Download Reisgids
©2019 Tharros.info Sitemap Privacy Contact