De Tofet

De Fenicische aanwezigheid in het westelijke Middellandse Zeegebied is nauw verbonden aan het bestaan van een bepaald type openluchtheiligdom en het daaraan gekoppelde ritueel van het offeren van kinderen, ook wel bekend als het offer van de eerstgeborenen aan de godheid Baal-Hammon 1. De ontdekking van het openluchtheiligdom bij Carthago in 1921, Salammbo, interpreteerden archeologen en historici dan ook als een offerplaats, de tofet, bekend van passages uit de bijbel. Op het terrein van het heiligdom werden grote aantallen urnen met de asresten van kinderen gevonden 2. In de beroemde roman Salammbo schreef Gustave Flaubert hoe de kinderen van vooraanstaande Carthagers op een groot bronzen beeld, de Moloch, werden gelegd en zo van zijn armen af in het vuur rolden en levend verbrandden. Dit soort offers moest de goden gunstig stemmen in tijden van grote dreiging en crisis. Al snel werd Flaubert's roman, en met name de scene van het bronzen beeld dat iedereen zo geschokt had, in verband gebracht met de vondsten in Carthago 3. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw was dit het beeld dat men bij de tofet had. In de loop van de tijd ontdekten archeologen nog meer van dit soort heiligdommen op Sardinië en op Sicilië, een bewijs dat de vondst bij Carthago niet op zichelf stond. Maar met nieuwe naoorlogse technieken begonnen wetenschappers forensisch onderzoek te doen naar de verbrandde resten in de urnen en de conclusies van deze onderzoeken leken de argumenten van de gevestigde theorie over de tofet en zijn ritueel te ontkrachten. Een nieuwe interpretatie was nodig 4. Ging het nog wel om offers van levende kinderen?
Bijna twintig jaar geleden schreef Sabatino Moscati een overzichtswerk over het heiligdom en de daaraan gekoppelde rituelen, Gli Adoratori di Moloch 5. Hierin behandelde hij de theoriën rond de tofet en de verschillende standpunten die de wetenschappers in de loop van de tijd hadden ingenomen. Ongetwijfeld zijn nog niet alle vragen beantwoord door het uitblijven van nieuwe archeologische vondsten om de theoriën te kunnen bewijzen. In dit artikel wordt aan de hand van historische interpretaties en archeologische onderzoeken hier een beeld geschetst van de tofet, de rituelen die er mogelijk plaatsvonden en de functie die het heiligdom kon hebben gehad.

De naamgeving van het openlucht heiligdom

De opgraving van het openluchtheiligdom in Carthago in 1921 viel samen met een intens debat over mensenoffers beschreven in het Oude Testament, waarbij de overtuiging was dat deze mensen- of kinderoffers deel waren van rituelen van niet-hebreeuwse bevolkingsgroepen in het Midden-oosten 6. In een passage van de bijbel, om precies te zijn in het boek Jeremia (7,31), wordt het woord tofet in verband gebracht met offerhoogten waar zonen en dochters werden verbrand. De profeet Jeremia wordt chronologisch rond 600 v Chr geplaatst wat samenvalt met de opkomst van de Fenicische nederzettingen in het westen. De wetenschappelijke wereld nam deze benaming over en verbond het ritueel van kinderoffers aan het heiligdom 7.
Dat Flaubert in zijn boek het beeld van Moloch aanhaalt is gebaseerd op twee verschillende bronnen. De eerste bron is de naam Moloch die was afgeleid van de term MLK welke in inscripties en in de bijbel voorkwam, waarvan men meende dat dit de naam van de godheid was. Flaubert gaf deze naam aan het grote beeld uit zijn boek. Later heeft men vastgesteld dat het woord MLK offer betekende, molk of molek en niet verwees naar de godheid 8. Ten tweede was de scene van Flaubert een bewerking van het verhaal van Diodorus Siculus, de Griekse historicus die de strijd van de Grieken tegen de Carthagers op Sicilië had beschreven. In het werk van Diodorus is te lezen hoe de Carthagers hun kinderen offerden om de goedgezindheid van de godheid Baal af te smeken, aangezien de oorlog tegen de Grieken hen niet voorspoedig afging 9.
In de loop van de twintigste eeuw zijn offers van kinderen door verschillende historici en archeologen, maar ook theologen, in verband gebracht met het openlucht heiligdom en de Feniciërs en Puniërs. De vraag is echter of deze historische bronnen wel in verband gebracht kunnen worden met dit specifieke openluchtheiligdom en of de beschrijving van de rituelen overeenkomen met de rituelen van het heiligdom. Hiervoor zouden de archeologische vondsten nader bekeken moeten worden.

De archeologische vondsten van het openlucht heiligdom

Na de eerste ontdekking in 1921 bij Carthago volgden in de jaren zestig de ontdekkingen van de heiligdommen op Sardinië: Tharros, Nora, Sulcis (Sant'Antioco), Monte Sirai (Carbonia), Cagliari, Bithia (Chia), op Sicilië: Motya en Lilibaeum (beiden bij Marsala) en in Tunis bij Sousse (Hadrumetum). Een vergelijking wees uit dat het openluchtheiligdom aan de noordzijde van de stad was gelegen. Naast talloze urnen met asresten werden er ook steles gevonden met afbeeldingen en inscripties. De datering van de oudste resten in sommige urnen is geschat op de achtste eeuw voor Chr. De openluchtheiligdommen zouden dus in die periode voor het eerst ingericht zijn. Het gebruik om steles neer te zetten kwam echter pas veel later in zwang, met name vanaf de punische tijd die begon aan het einde van de zesde eeuw voor Chr 10.

Tofets op Sardinië
Tofets op Sardinië

De steles, vaak in zandsteen, vormen de grootste schat aan afbeeldingen die een inzicht geven in de gebruikte symboliek. In de loop van de eeuwen veranderden de stijlelementen van meer Egyptische motieven naar Hellenistische motieven waardoor dateringen mogelijk zijn op grond van de stijlontwikkelingen. Deze afbeeldingen variëerden van figuratieve voorstellingen tot aniconische betils (betil is huis van de god, bet-el). De figuratieve voorstellingen zijn meest vrouwenfiguren, de aniconische voorstellingen in de vorm van een gestileerde figuur, ook wel aangeduid als flesvorm vanwege de associatie (zie foto's op deze pagina). De figuur staat centraal in een nis met stijlelementen als zuilen of friezen die doen denken aan tempel architectuur. Elke tofet heeft steles met een eigen stijl opgeleverd, zo zijn bijvoorbeeld alleen in Tharros monumentale steles gevonden, bijna twee meter hoog, en daarnaast zandstenen altaren van 50 centimeter hoog 11.
Uit de asresten van de urnen hebben de archeologen kunnen opmaken dat het voor het overgrote deel ging om de resten van pasgeboren kinderen, foetussen en resten van kleine dieren, al dan niet in combinatie met die van kinderen. Niet alle urnen bevatten resten van kinderen, veel daarvan alleen die van dieren 12.

Tofets op Sicilië
Tofets op Sicilië

Uit de steles met inscripties hebben de archeologen kunnen opmaken dat het ging om dankoffers aan de god Baal-Hammon, later ook in combinatie met Tanit, de Punische godin ook wel aangeduid als het gezicht van Baal (Pene-Baal). Deze dankoffers waren gedaan door personen waarvan de naam in de inscriptie voorkwam. De inscripties behelsden veeleer de namen van privé personen zonder aanduiding van publieke functies 13. Uit de Fenicische en Punische wereld zijn inscripties met persoonlijke namen zo talrijk dat hier apart onderzoek naar gedaan is. Natuurlijk is het mogelijk dat de oorspronkelijke bewoners rond de Fenicische nederzettingen opgenomen werden in de steden en Fenicisch-Punisch namen kregen.
Of op het terrein van de tofet ook tempeltjes stonden is niet overal aangetoond. Op grond van materiaal dat hergebruikt is in de muren van Tharros denkt men dat er kleine tempeltjes gestaan zouden kunnen hebben. In Monte Sirai bevindt zich een klein tempeltje aan de rand van de tofet waar de crematie zou hebben plaatsgevonden 14.

Een interpretatie van de archeologische vondsten

De datering van de tofet in de achtste eeuw voor Chr wordt in verband gebracht met de eerste vestiging van Feniciërs in het westelijke Middellandse Zeegebied. De inrichting van de tofet duidde op een definitieve vestiging en hoewel de tofet als onderdeel wordt gezien van kolonisatie en urbanisatie in het westelijke Middellandse Zeegebied is het niet aangetoond dat die eerste vestiging ook meteen de stichting van een stad inhield. Het is gerechtvaardigd er van uit te gaan dat de inrichting van de tofet wel een indicator van permanente vestiging is en de aanzet tot latere urbanisatie was 15.
Tot op heden is een soortgelijk openlucht heiligdom niet in andere delen van het Middellandse Zeegebied aangetroffen. Hoewel er een bijbelse referentie aan de tofet is, zijn er in het Sirisch-Palestijnse gebied (Libanon, Syrië, Israël) geen sporen gevonden van een heiligdom dat lijkt op de tofet van Carthago of andere. Ook in een aantal Fenicisch-Punische nederzettingen in het westen ontbreken aanwijzingen voor het bestaan van een openlucht heiligdom, zoals in Spanje (Gades, Huelva), op het eiland Ebusus of Malta, beiden toch door de Feniciërs aangedaan. Ook daarna, in de tijd van de Punische overheersing van Spanje en de stichting van Nieuw Carthago lijkt de tofet geen deel uit te maken van het stedelijke plan. Uitzondering hierop is Monte Sirai waar de tofet pas in latere tijd is ingericht, maar Monte Sirai wordt een secundaire rol toegeschreven in functie van de nederzetting in Sulcis. Het ontbreken van aanwijzingen betekent echter niet dat deze niet in de toekomst gevonden zouden kunnen worden. Dat zou mogelijk een nieuw licht kunnen werpen op de betekenis van het heiligdom. Dat de tofet onlosmakelijk verbonden is met de dominantie van Carthago over de Fenicische nederzettingen op Sicilië en Sardinië lijkt ook niet het geval te zijn. De heiligdommen bestonden al vóórdat er sprake was van Carthaagse dominantie in het Westelijke Middellandse Zeegebied 16.
Op grond van de typering van de urnen, de afbeeldingen op de steles en de inscripties moet wel geconcludeerd worden dat de tofet een typisch Fenicisch-Punisch heiligdom is. Het terrein dat voor het heiligdom gebruikt werd lag binnen de muren van de nederzetting en werd afgebakend door een muur (temenos). Dat het geen normale begraafplaats betreft is op te maken uit de votief stenen (steles) met inscripties en het feit dat er andere begraafplaatsen buiten de nederzettingen waren. De Feniciërs cremeerden aanvankelijk hun doden en met de komst van de Noord-Afrikaanse Puniërs veranderde die gewoonte in een begrafenisritueel. In de tofet bleven nog steeds urnen met asresten bijgezet worden. De begraafplaatsen (necropoleis) hebben nauwelijks kindergraven opgeleverd, alleen mannen en vrouwen werden daar begraven 17. Overigens hadden Romeinen en Grieken in vergelijking ook aparte rituelen voor het begraven van overleden kinderen, de Grieken begroeven deze in amforen 18

Het ritueel uit archeologische bronnen

In het openluchtheiligdom werden de urnen met de asresten van offers bijgezet. Uitgaande van de votief stenen met inscripties betrof het een dankoffer aan de godheid Baal-Hammon voor het ontvangen van een zegen of een smeekbede voor het verkrijgen van een zegen. Archeologen gaan er van uit dat deze zegen de geboorte van een kind betreft, maar het zou ook om een andere zegen kunnen gaan. Het is bekend dat in de oudheid de kindersterfte heel groot was. Een gezond kind, in het bijzonder een erfgenaam, werd als een belangrijke zegen gezien. Het is dan ook goed mogelijk dat dit openluchtheiligdom bedoeld was om de belangrijkste godheid te eren en te bedanken, dan wel om zijn zegen te smeken. De idee was dat doodgeboren kinderen, of te vroeg gestorven of te vroeg geboren kinderen, ritueel verbrand werden en aan de godheid geofferd werden in de hoop op een nieuw kind. Het kon immers voorkomen dat een miskraam leidde tot onvruchtbaarheid of zelfs de dood van de vrouw. Het offeren van dieren, al dan niet samen met het kind, kon eenzelfde betekenis krijgen. De meeste offers lijken overigens in het voorjaar te zijn gedaan 19.
De inscripties bevatten bijna allemaal Fenicisch-Punische namen van mannen, mogelijk de pater-familias van gegoede burgers. In veel gevallen werd de naam van de vader en voorvaders opgesomd, tot wel 16 generaties terug, om de aristocratische afkomst te benadrukken 20. Was dit ritueel een familie gebeuren of een ritueel van de gemeenschap? Dat is moeilijk na te gaan aan de hand van de inscripties. Indien de rituelen waren bedoeld voor het afroepen van de zegen over de gemeenschap (of de stad) dan zou je verwachten dat dat ook in de inscripties terug zou komen, en dat lijkt niet het geval 21. Welk verband er tussen de offeraar en het offer, dan wel het geofferde kind, bestaat is ook niet na te gaan. Er zijn ook wel urnen gevonden met de asresten van twee tot zelfs drie kinderen samen. Het is moeilijk om conclusies te trekken aan de hand van het gevonden materiaal over de reden van het ritueel.

Het ritueel volgens de antieke bronnen

Is er enig verband met door de bijbel beschreven ritueel dat kinderen “door het vuur” werden gehaald? In drie boeken van de profeten Jesaja, Jeremia en Ezekiel wordt het ritueel van het offeren van kinderen genoemd, alleen Jesaja noemt daarbij de plaats Tofet en het dal van Ben Hinnom 22. De profeten veroordeelden het offeren van zonen en dochters aan god, aangezien God dit hen nooit had opgelegd of gevraagd. De drie profeten zouden ongeveer in de tijd hebben geleefd waarin de openluchtheiligdommen in het westen ingericht en gebruikt werden, in een tijd waarin Assyrië en Babylonië een grote bedreiging vormden voor zowel Israël als de Fenicische steden (Tyrus, Sidon), en in een tijd waarin volgens de legende Carthago werd gesticht door vooraanstaande families uit Tyrus onder leiding van Dido, die overeenkomt met migraties vanuit de bedreigde Oostelijke Middellandse Zeegebieden naar het westen 23. Toch is het niet mogelijk eenduidig een verband te leggen tussen de in de bijbel beschreven rituelen die met name in het oosten plaatsvonden en de heiligdommen in het westen. De archeologische bewijzen voor een relatie ontbreken daartoe en belangrijker nog is dat de boeken van de profeten pas veel later zijn opgeschreven, in een tijd waarin Carthago tegenover Grieken en Romeinen stond en Tyrus deel uitmaakte van het Perzische rijk. Zo kunnen de verhalen die later over de profeten opgeschreven zijn gekleurd zijn geweest door politieke en natuurlijk religieuze tegenstellingen.
In de antieke Griekse en Romeinse bronnen wordt het ritueel offeren van mensen en kinderen door Carthagers en Feniciërs wel genoemd, maar steeds in verband met traumatische situaties en er wordt niet gerefereerd aan een openluchtheiligdom waar dit ritueel zou hebben plaatsgevonden. Ook hier kan niet eenduidig een verband gelegd worden tussen het heiligdom en de geschreven bronnen 24.

Het is echter op grond van de archeologische vondsten niet uit te sluiten dat kinderen ritueel geofferd werden. Welke reden dat zou kunnen hebben gehad blijft speculeren aangezien de asresten daar geen uitsluitsel over geven. Er zouden culturele of religieuze motieven aan ten grondslag kunnen liggen die niet uit de archeologische vondsten of inscripties terug te halen zijn. Het voorkomen van asresten van dieren en de steles met dankbetuigingen sluiten echter uit dat als er al ritueel geofferd werd dit stelselmatig gebeurde en moet men er van uitgaan dat het incidenteel is gebleven. In het geval van foetussen zou dit dan kunnen duiden op moedwillige abortus, maar ook dat is niet aan te tonen.

Conclusie

De openluchtheiligdommen zijn in de achtste eeuw voor Christus ingericht bij nederzettingen op Sardinië, Sicilië en in Noord-Afrika. Daartoe werd een terrein afgebakend (temenos) dat aan de noordzijde van de bebouwing lag, maar binnen de perimeter van de nederzetting. De tofet voorzag in een behoefte om de godheid Baal-Hammon te bedanken voor een ontvangen zegen, dan wel een zegen af te smeken, oftewel de geboorte van een gezonde nakomeling. Hoogstwaarschijnlijk is het heiligdom ingericht toen Feniciërs zich permanent vestigden met hun families, of meer in het algemeen families van Syrisch-Palestijnse of Cypriotische afkomst.
Het ritueel voorzag in het cremeren van ongeboren of pasgeboren kinderen, maar was ook in veel gevallen beperkt tot het verbranden van kleine dieren dan wel een combinatie van de twee. In de latere Punische tijd werd ook een votiefsteen neergezet, de stele, in enkele gevallen voorzien van inscripties. In de Romeinse tijd nam de betekenis van de tofet af en verdween deze uiteindelijk
Het ritueel voorzag waarschijnlijk niet in het doden van kinderen, hoewel dit niet uitgesloten kan worden en kan worden gekenmerkt als een ritueel van persoonlijke aard of als familie ritueel. De culturele oorsprong moet gelegen zijn in de komst van Fenicisch, Syrisch-Palestijnse of Cypriotische families in de achtste eeuw voor Chr op de vlucht voor de Assyrische en Babylonische agressieve expansiepolitiek die gericht was op het domineren van de stadstaten aan de Middellandse Zee.
Een eenduidig verband tussen de rituelen beschreven in de bronnen, de bijbel en antieke auteurs, en het openluchtheiligdom, de tofet, kan niet gelegd worden op grond van de archeologische vondsten.
Op een aantal vragen is echter geen definitief antwoord te geven. Waarom werd de tofet ingericht op Sardinië, Sicilië en Carthago en elders niet? Werden er kinderen ritueel gedood en verbrand? Is de tofet eigenlijk wel ingericht door de Feniciërs en niet door andere bevolkingsgroepen die naar het westen migreerden? Was de offeraar de vader van het kind? Wie was de moeder? De tofet blijft dus een heiligdom met een enigma en of er antwoorden komen van nieuw archeologisch onderzoek is nog maar zeer de vraag.

Noten

1 Aubet 1993: p. 196, 205, 215; Markoe 2000: p.69; Moscati 1999: p 49; Barreca 1974: p 31,41; Gras 2000: p 236
2 Markoe 2000: p 133; Moscati 1991: p 71; Gras 2000: p 207; Ribichini 1997: p 47
3 G. Flaubert, Salammbò , nederlandse vertaling door Hans van Pinxteren en uitgegeven door Athenaeum-Polak&Van Gennep; Gras 2000: p 207-209
4 Aubet 1993: p 214; Markoe 2000: p 133; Moscati 1991: p 25,63-69
5 Moscati 1991: Gli Adoratori di Moloch uitgegeven bij Jaca Books, Milaan (zie bibliografie)
6 Moscati 1991: p 11-33
7 Jeremia 7,31; Aubet 1993: p 208; Moscati 1991: p 50; Barreca 1974: p 134-135
8 Moscati 1991: p 45-53
9 Moscati 1991 noemt Diodorus (p 58), Markoe 2000 noemt Cleitarchus (p 132)
10 Moscati 1991: p 71-111; Acquaro 1999: p 31,42 (over Tharros); Gras 2000: p 224
11 Moscati 1991: p 108, 113-142; Acquaro 1996: p 54-58
12 Moscati 1991: p 63-69; Aubet 1993: p 214; Markoe 2000: p 133; Gras 2000: p 230; Ribichini 1997: p 56; Het onderzoek is van J Richard uit 1961
13 Moscati 1991: p 143-151; Aubet 1993: p 214-215; Tronchetti 1989: p 43-52; Tronchetti 1995
14 Acquaro 1999: p 58-59; Bartoloni 1989: p 59-60
15 Aubet 1993: p 215; van Dommelen 2005: p 149,162
16 Aubet 1993: p 216-217; Bartoloni 1989: p 18-19 (Monte Sirai); Moscati 1991: p 111
17 Aubet 1993: p 207; Markoe 2000: p 134; Moscati 1991: p 25; Gras 2000: p 234-235
18 Ribichini 1997: p 57
19 Markoe 2000: p 136; Moscati 1991: p 178; Ribichini 1997: p 53,58
20 Aubet 1993: p 216
21 Moscati 1991: p 168
22 Jesaja 57,5; Jeremia 7,31; Ezekiel 16,21; Voor de referenties zie De Bijbel, Willibrord vertaling uitgegeven 1981 door de Katholieke Bijbelstichting, Boxtel
23 Aubet 1993: p 215-17, de legende van Dido komt uit Vergilius, Aeneis, in het nederlands vertaald door M. A. Schwartz bij uitgever Athenaeum-Polak&Van Gennep
24 Gras 2000: p 215-221; Aubet 1993: p 211-212; Markoe 2000: p 132; Moscati 1991: p 55-62; Ribichini 1997: p 48-49

Bibliografie

1. Acquaro, C. e A. Mezzolani 1996, Tharros, Roma
2. Acquaro, C. e C. Finzi 1999, Tharros, Sassari
3. Aubet, M.E. 1993: The Phoenicians and the West. Politics, Cambridge (first published in Spanish, 1987)
4. Barreca, F. 1974: La Sardegna fenicia e punica, Sassari
5. Bartoloni, P. 1989, Monte Sirai, Sassari
6. Gras, M., P. Rouillard , J. Teixidor 2000: L'universo fenicio, Torino
7. Markoe, G.E. 2000: Peoples of the past. Phoenicians, London
8. Moscati, S. 1991, Gli adoratori di Moloch, Milano
9. Moscati, S. 1999, The world of the Phoenicians, London
10. Ribichini, S. 1997, Il sacrificio di fanciulli del mondo punico: testimonianze e problemi in: Riti funerari e di olocausto nella Sardegna fenicia e punica, aa.vv., p. 45-66
11. Tronchetti, C. 1989, S. Antioco, Sassari
12. Tronchetti, C. 1995, Il tophet di S. Antioco e le sue stele, Sant'Antioco
13. Van Dommelen, P. 2005, Urban Foundations? Colonial settlement and urbanization in the Western Mediterranean in: Mediterranean Urbanization 800-600 BC, ed. R. Osborne and B. Cunliffe, New York, p. 143-167

Laatst gewijzigd 27/06/2014

Reisgids mee?

Download Reisgids
©2019 Tharros.info Sitemap Privacy Contact