Sardinië in de Vroege Middeleeuwen

Sinds de tijd van Augustus had het Romeinse Rijk een enorme verandering ondergaan. Op initiatief van Constantijn werd met het edict van Milaan het christendom staatsreligie. De druk van Germaanse stammen op de grenzen van het grote Romeinse Rijk nam toe en dat leidde uiteindelijk tot de barbaarse invallen die een einde zouden maken aan het Rijk. Sardinië bleef niet onberoerd onder de veranderingen. Het eiland raakte in een isolement doordat de verbindingen met het vasteland onveilig werden, om uiteindelijk in handen te vallen van de Vandalen.

De Vandalen op Sardinië

De Vandalen waren van oorsprong een Germaanse stam uit het gebied van de Elbe. Net als de andere Germaanse stammen werden ze enerzijds aangetrokken door de rijkdommen van het Romeinse Rijk en anderzijds opgedreven door de opkomende Hunnen. Via Gallië trokken ze naar Spanje waar ze zich rond 400 na C. vestigden. Daar werden ze op hun beurt verdreven door de Wisigoten en staken over naar Noord-Afrika waar ze zich in Carthago vestigden (439 na C.), de Romeinse hoofdstad van de Afrikaanse provincie 1. Hun koning, Genserik (ook wel Geiserik genoemd), richtte zijn aandacht vervolgens op Sicilië en Sardinië in een poging om Rome van de noodzakelijke bevoorrading van graan verstoken te laten blijven en zo de prestigieuze hoofdstad van het afbrokkelende Romeinse Rijk aan zich te onderwerpen 2. Toen in 455 keizer Valentinianus III werd vermoord vielen de Vandalen dan ook Rome binnen. Het gevolg was de zoveelste plundering van Rome sinds de barbaarse invallen 3. In 460 viel Sardinië definitief onder het bestuur van de Vandalen 4.

De Vandalen beperkten hun bemoeienissen met Sardinië tot het ophalen van belastingen en lieten de Sardijnen grotendeels aan hun lot over. Net als de Ostrogoten onder Theodorik hingen de Vandalen onder Genserik en zijn opvolgers Hunnerik, Gundamund en Thrasamund het Arianisme aan. Hun koningen voerden dit ver door en ze vervolgden de katholieke bisschoppen, die ze naar Sardinië verbanden (in navolging van de Romeinse traditie van verbanningen naar het eiland), waar deze bisschoppen overigens wel weer vrij waren om hun eigen geloofsrichting te blijven volgen 5.

De Byzantijnen lijven Sardinië in bij het Oost-Romeinse Rijk

Aan het rijk van de Vandalen kwam tenslotte een eind door toedoen van de Byzantijnse generaal Belisarius die de laatste koning van de Vandalen, Gelimer, versloeg bij Carthago. De vertrouweling van Gelimer, de goot Goda, had zijn koning verraden door Sardinië onafhankelijk te verklaren en een gezantschap te sturen naar Justinianus, de keizer van het overgebleven Oost-Romeinse Rijk, overigens zonder dat de keizer Goda enige hulp stuurde. Gelimer daarentegen stuurde zijn broer Zazo om Goda tot de orde te roepen. Terwijl Zazo Sardinië heroverde voor de Vandalen vielen de Byzantijnen Noord-Afrika binnen. Zazo werd ijlings teruggeroepen, maar desondanks werd het leger van de Vandalen verslagen. De Byzantijnen scheepten zich daarna in naar Sardinië waar de Sardijnen, nadat hen het afgehakte hoofd van Zazo was getoond, zich verder zonder slag of stoot onderwierpen aan het Byzantijnse gezag. Sardinië maakte daardoor vanaf 533 na Christus deel uit van het Oost-Romeinse Rijk, als verre provincie, en dat bleef het ondanks de verliezen die de Byzantijnen zouden lijden tegen Ostrogoten, Longobarden, Visigoten en later de Arabieren 6. Alleen in 551-552 zouden de Ostrogoten korte tijd Sardinië veroveren, waarna het weer door de Byzantijnen ingenomen werd 7.

Sardinië in de Byzantijnse periode

De Vandalen lieten nauwelijks tastbare sporen achter op Sardinië, archeologen hebben maar weinig van deze periode teruggevonden en geschreven bronnen zijn er nauwelijks. Van de Byzantijnse periode daarentegen is veel meer teruggevonden en beschikken de historici en archeologen over een aantal geschreven bronnen waaronder de brieven van paus Gregorius, de werken van Procopius en de beschrijvingen, de Cosmographia, van de anonieme geograaf van Ravenna.

Politieke en religieuze instellingen

Het eiland Sardinië vormde een tema, een provincie van het Oost-Romeinse Rijk, bestuurd door een praeses en een dux. De praeses stond aan het hoofd van de burgerlijke macht en had de bevoegdheid van rechter, iudex provinciae. Deze had zitting in Cagliari. De dux was de opperbevelhebber van de strijdkrachten en verantwoordelijk voor de verdediging. De dux had zijn basis in Forum Traiani. Doordat bevoegdheden van beide machthebbers konden overlappen verdween uiteindelijk de rol van praeses en werd de bestuurlijke macht samengevoegd met de militaire macht in de functie van de dux, in die hoedanigheid ook wel ipatos genoemd. De paus noemde de dux ook wel iudex in zijn brieven 8. Aanvankelijk behield de katholieke kerk een belangrijke invloed in Sardinië, met name in de persoon van de aartsbisschop van Cagliari die gesteund werd door paus Gregorius. Na de dood van de paus nam de invloed van de Byzantijnse kerk toe, terwijl ook de elite steeds meer het grieks ging gebruiken als voertaal. In het hedendaagse sardisch zitten nog steeds van oorsprong Byzantijnse (Griekse) woorden. De pausen probeerden steeds zoveel mogelijk de vergrieksing van de kerk te bestrijden door de bisschoppen aan te sporen zich aan de latijnse riten te houden 9. De Grieks-orthodoxe kerk op Sardinië is nog steeds aanwezig en heeft nog veel volgelingen.
In de Byzantijnse periode ondergingen de steden een verandering doordat het christendom een steeds centralere plaats in het stadsleven en in de stadsplanning ging innemen. Daarnaast was er door de continue bedreigingen van buitenaf meer noodzaak om verdedigingswerken te bouwen, en met name de castra (enkelvoud: castrum) deden dienst als steunpunten voor de militairen 10.

De steden

In de antieke stadjes kregen openbare gebouwen, zoals de Romeinse baden, andere bestemmingen van religieuze of civiele aard. De Terme di Convento Vecchio in Tharros kregen een religieuze bestemming, net zoals de baden in Neapolis, terwijl de Terme a Mare in Nora waarschijnlijk omgebouwd zijn tot verdedigingswerk. Soms werden nieuwe gebouwen boven op het plaveisel van romeinse straten gezet. Materialen van de oude gebouwen werden gebruikt om nieuwe gebouwen neer te zetten 11. In Sant'Antioco ontstond een tweede stadskern rond de basiliek van Sint Antiochus, bovenop de oude punische grafkamers die gebruikt werden als christelijke catacomben, en buiten de oorspronkelijk romeinse stad. Dit was ook het geval in Cornus waar de vroeg-christelijke basiliek buiten de antieke stad was gebouwd 12.
Interessant in deze context is het ontstaan van het stadje Aristanis (Oristano) genoemd in documenten in de zevende eeuw naast het antieke Othoca (Santa Giusta). De oorsprong van Oristano zou dus zelfs in de laat-romeinse tijd kunnen liggen 13.

De byzantijnse castra

De byzantijnse castra lagen strategisch ter bescherming van de stedelijke centra aan de kust of de interne wegen en vruchtbare vlaktes. De reden dat de dux aanvankelijk in Forum Traiani zetelde was om de binnenlandse barbaren onder controle te houden. Het ging mogelijk om Mauriërs die door de Vandalen naar Sardinië waren overgebracht 14. Vlak bij de romeinse brug die Sant'Antioco verbindt met het vasteland stond een Byzantijns castrum en ook de fortificaties bij Tharros zijn van een Byzantijns castrum, met hergebruik van oudere materialen 15. Byzantijnse soldaten van het exercitus Sardiniae waren gestationeerd bij Santa Vittoria di Serri, in het Castello di Medusa bij Samugheo, het Castello di Barumele bij Ales en het castrum bij Oschiri, archeologische sites waar sporen van militaire aanwezigheid in de Byzantijnse periode zijn gevonden 16.

Het platteland

Er is niet heel veel bekend over de economische organisatie van het platteland. Aangenomen wordt dat de structuur van de organisatie rond de romeinse villa grotendeels intact bleef, en er dus continuïteit was, hoewel de villae van eigenaar wisselden. Met de verbreiding van het christendom werd in een aantal gevallen de baden van deze romeinse villa's (deel van de pars urbana) omgebouwd tot kerk. Eén van de bekendste voorbeelden van dit hergebruik is de kerk van Santa Maria di Mesumundu. Daarnaast werden er rurale kerken gebouwd in byzantijnse stijl, in enkele gevallen met een grieks kruis als grondvorm. Met latere verbouwingen werden die vaak weer aangepast. Een voorbeeld van een vroeg-christelijke kerk is die van San Giovanni di Sinis waar een byzantijnse koepel op is gebouwd 17.
Bijzondere plekken van christelijke religieuze verering zijn wel de oorspronkelijk heidense cultusplaatsen. Voorbeelden zijn het hypogeum van San Salvatore op het schiereiland van Sinis en de grotten van Sant'Andrea Priu bij Bonorva. In het eerste geval betreft het een prehistorisch hypogeum in het tweede geval een prehistorische grafkamer (Domus de Janas) omgevormd tot kerk 18.

De donkere Middeleeuwen

Door de veroveringen van de Arabieren van grote delen op het Byzantijnse Rijk en de voortdurende dreiging van invallen en piraterij raakte Sardinië steeds meer in een isolement. In naam maakte het eiland nog steeds uit van het Byzantijnse Rijk, maar in de praktijk ontstond op Sardinië een vorm van zelfbestuur. De periode wordt gekenmerkt door de afwezigheid van betrouwbare bronnen waardoor een reconstructie van de gebeurtenissen in deze periode bijna onmogelijk is, vandaar de term donkere Middeleeuwen, een term die vaak ten onrechte geassocieerd wordt met een periode van verval van beschaving.

De Arabische invallen

De opmars van de Arabieren verliep voorspoedig voor hen in de zevende eeuw. Al in 647 vonden de eerste aanvallen plaats in het door Byzantium gecontroleerde Noord-Afrika en in 698 viel Carthago definitief in Arabische handen. Vanaf 711 zouden de Arabieren zich richten op het Spanje van de Wisigothen 19. De eerste, ons bekende, aanvallen door de Arabieren op Sardinië vonden plaats in 704 en vervolgens in 710-711 20. In de negende eeuw nam de intensiteit van de Arabische invallen in Italië en op Sardinië toe en kwam ook Sicilië hevig onder vuur te liggen 21. De invallen leidden tot verwoestingen in kustplaatsen zoals Sant'Antioco, Nora en Tharros en veel Sarden werden afgevoerd als slaven of gedood. Maar op enkele kortstondige bezettingen van kleine delen van het eiland na is er nooit een Arabische overheersing geweest in deze periode 22.
De eilandbewoners moesten geregeld de hulp inroepen van buitenaf. Er zou zelfs een Sardische delegatie gestuurd zijn naar de Frankische koning Lodewijk de Vrome om steun te krijgen tegen de Arabieren. In de tiende eeuw, met de uiteindelijke verovering van Sicilië door de Arabieren en de tanende macht van Byzantium in het westelijke Middellandse Zeegebied, zou Sardinië verder geïsoleerd raken van het oosten. In het begin van de elfde eeuw gingen daarom vooral de opkomende maritieme machten Genua en Pisa een belangrijkere rol spelen bij de verdediging van het eiland tegen de invallen van de Arabieren. In Arabische en Pisaanse kronieken wordt ook de Arabische prins Mugiahid (Museto) genoemd die in 1015 het eiland aanviel en zelfs kortstondig het zuiden van Sardinië beheerste, het jaar daarop zou hij echter weer verdreven worden met de hulp van Pisa en Genua. Dit markeerde één van de dieptepunten voor Sardinië in deze hele periode 23.

Het ontstaan van de Judicaten

Eén van de mysteries van de Sardijnse Middeleeuwen is het ontstaan van de vier Judicaten, vier onafhankelijk bestuurde gebieden met een zekere mate van autonomie. Uit de geschiedenisbronnen is niet op te maken hoe deze vierdeling tot stand kwam. Nog tot in de tiende eeuw is er sprake van een door Byzantium gesteunde protospatario Torchitorio (ook wel aangeduid met de titel archon), gevolg van een heropleving van het Byzantijnse imperium in Zuid-Italië 24. In een document van de paus Gergorius VII uit 1073 worden vier namen genoemd; Orzocco van Cagliari, Orzocco van Arborea, Mariano van Torres en Costantino van Gallura. Over het algemeen wordt aangenomen dat op dat moment de politieke macht verdeeld was over vier territoriale staatjes met een Iudex aan het hoofd. Het is goed mogelijk dat belangrijke families in de tiende en de elfde eeuw de politieke en militaire macht aan zich trokken en binnen de familie de ambten erfelijk werden. Dit is een fenomeen dat in heel Europa voorkwam, zelfs binnen het Byzantijnse rijk. Het is goed mogelijk, maar niet altijd uit de bronnen op te maken, dat er al vóór 1073 Giudici waren in de vier Judicaten. In het geval van Arborea is er bij Tharros een zegel gevonden die de naam Zerkis draagt, met de titel Archon Arbor 25.

Voetnoten:

1 Painter 1979, p. 24,25
2 Boscolo 1978, p. 11-12; Mastino 2005, p. 500
3 Boscolo 1978, p. 13
4 Boscolo 1978, p. 15-16; Mastino 2005, p. 499
5 Boscolo 1978, p. 20-25; Mastino 2005, p. 501-504
6 Boscolo 1978, p. 27-32; Mastino 2005, p. 504-507; Spanu 1998: p 14-16
7 Galoppini 2004: p 137; Spanu 1998: p 34
8 Boscolo 1978: p 67-70, 79-80; Ortu 2005: 23-25
9 Boscolo 1978: p 37-43, 99-107; Ortu 2005: 26-34
10 Spanu 1998: p 17-18
11 Spanu 1998: p 42-43 (Nora),56-57 (Neapolis), 80-88 (Tharros)
12 Spanu 1998: 48-49 (Sant'Antioco), 96-102 (Cornus)
13 Spanu 1998: 60-61
14 Spanu 1998: p 173-174
15 Spanu 1998: p 48, 79-80 (Tharros)
16 Spanu 1998: p 173-190; Zucca 1988: p 6-8 (Santa Vittoria di Serri)
17 Acquaro 1996: p 16 (San Giovanni di Sinis); Boscolo 1978: p 97; Spanu 1998: p 129-132
18 Caprara 1988: p 418-421 (Sant'Andrea Priu) Tav. XX foto's van de affresco's; Donati 1992: p 19-20 (San Salvatore); Spanu 1998: p 164-165 (San Salvatore), 205-209 (Sant'Andrea Priu)
19 Collins 2010, p. 148
20 Boscolo 1978, p. 55-56; Martini 1861, p. 48
21 Collins 2010 p 394-395; Ortu 2005, p 40
22 Ortu 2005, p 40; Boscolo 1978, p 64-66; Martini 1861, geeft gedetailleerde informatie die echter voor een groot deel berust op vervalste bronnen uit de negentiende eeuw. Voor dat deel waar de informatie echter uit pauselijke en arabische bronnen komt is betrouwbaarder
23 Boscolo 1978, p 66-67, 109-110; Ortu 2005, p 40-42; Martini 1861, p 94-95,99-101
24 Collins 2010, p 394-399
25 Ortu 2005, p 43-51; Boscolo 1978, p 111-123; Zucca 2000, p 1103-1112; Galoppini 1995, p 141-143

Bibliografie

1. Acquaro, C. e A. Mezzolani 1996, Tharros, Roma
2. Boscolo, A. 1978: La Sardegna bizantina e alto-giudicale, Sassari
3. Caprara, R. 1988:L'Età altomedievale nel territorio del Logudoro-Meilogu, in: Il Nuraghe S. Antine nel Logudoro-Meilogu, ed. A. Moravetti, Sassari, p. 397-441
4. Collins, R. 2010, Early Medieval Europe 300-1000, Basingstoke
5. Donati, A. and R. Zucca 1992, L'ipogeo di San Salvatore, Sassari
6. Galoppini, L. 2004, La Sardegna giudicale e catalano-aragonese in: Storia della Sardegna, ed. M. Brigaglia, Cagliari, p. 131-168
7. Martini, P. 2009: Storia delle invasioni degli arabi e delle piraterie dei barbareschi in Sardegna, Genova
8. Mastino, A. 2005: Storia della Sardegna Antica, Sassari
9. Ortu, G.G. 2005: La Sardegna dei Giudici, Nuoro
10. Painter, S. 1977: A History of the Middle Ages, London
11. Spanu, P.G. 1998, La Sardegna bizantina tra VI e VII secolo, Oristano
12. Zucca, R. 1988: Il santuario nuragico di S. Vittoria di Serri, Sassari
13. Zucca, R. 2000, Zerkis iudex arborensis in: Giudicato d'Arborea e Marchesato di Oristano: proiezioni mediterranee e aspetti di storia locale, ed. G. Mele, Oristano, p. 1103-1112

Laatst gewijzigd 11/12/2013

Reisgids mee?

Download Reisgids
©2018 Tharros.info Sitemap Privacy Contact