Romeins Sardinië. Alle wegen leiden naar Rome

In de Romeinse tijd werden de economie en het sociale leven op Sardinië bepaald door het politieke centrum van het Romeinse imperium, Rome. Letterlijk en figuurlijk leidden alle wegen naar Rome. De romeinse ingenieurs legden de basis voor een wegennet op Sardinië ten dienste van het leger, de keizerlijke koeriersdienst en het transport van de produkten bestemd voor Rome, die vervolgens via de belangrijkste havensteden verscheept werden. Maar ook de inrichting van de produktie op het platteland werd bepaald door de behoefte van Rome, tenminste daar waar de het villa systeem geïntroduceerd kon worden. Want ook in de Romeinse tijd bleef er een tweedeling zichtbaar op Sardinië, daar waar enerzijds de rationele produktie van het villa systeem werd geïntroduceerd in vruchtbare en makkelijk toegankelijke gebieden en daar waar anderzijds kleine zelfstandige boeren en herders van de sardische stammen probeerden te overleven in de berggebieden van de binnenlanden.

De romeinse wegen en het transport

Meer nog dan in de punische periode het geval was geweest zorgden de romeinse ingenieurs er voor dat er een rationeel aangelegd wegennet kwam en bouwden ze bruggen over waterlopen en rivieren waar dat nodig was. Dat dit zeer efficiënt en doelgericht gedaan werd blijkt wel uit het feit dat deze wegen hetzelfde traject volgden als die in onze tijd en dat de bruggen nog tot in de moderne tijd in gebruik waren. Hoe het wegennet er in de romeinse tijd uitzag is bekend uit oude geschriften zoals de Itinerarium Antonini (de volledige titel is Itinerarium provinciarum Antonini Augusti), de Geographia van Claudius Ptolemaeus en de geschriften van de anonieme cosmograaf van Ravenna (Anonymus Ravennas), maar is vooral bevestigd door de vondsten van zo'n 150 mijlpalen (een romeinse mijl, duizend passen, staat ongeveer gelijk aan 1478 meter) met inscripties en natuurlijk de ligging van de romeinse bruggen, waar die van Santa Giusta een voorbeeld van is 1.

a. de romeinse wegen

De romeinse brug bij Fertilia (Alghero)
De romeinse brug bij Fertilia (Alghero)

De romeinse wegen op Sardinië waren nauwelijks bestraat, maar het waren veeleer grindwegen met stenen langs de rand (de zogenaamde viae glariae). De belangrijkste romeinse wegen liepen van noord naar zuid, waarbij de Itinerarium Antonini Portus Tibulas (Coghinas?) of Tibulas (Castelsardo) vaak als beginpunt neemt en Caralis (Cagliari) als eindpunt. De meest oostelijke weg, de a Portus Tibulas Caralis, liep langs de gehele oostkust van het eiland. Meer naar het binnenland liep een tweede weg parallel aan deze kustweg vanaf Olbia naar Cagliari, dwars door de Barbagia, de aliud iter ab Ulbia Caralis. De centrale weg dwars door Sardinië liep van Tibulas (Castelsardo) naar Caralis via Turris Libisonis (Porto Torres), Forum Traiani (Fordongianus) en Othoca (Santa Giusta). Van Porto Torres tot Cagliari komt dit grofweg overeen met het traject van de huidige strada statale 131 Carlo Felice die in de negentiende eeuw werd aangelegd. Oorspronkelijk zou de romeinse weg echter niet via Othoca hebben gelopen maar langs de oostkant van de Monte Arci via de Colonia Uselis (Usellus). De meest westelijke weg liep langs de gehele westkust van Sardinië, de a Tibulas Sulcis, via Bosa, Cornus, Othoca, Neapolis (Terralba) en Metalla (Fluminimaggiore) naar Sulci (Sant'Antioco). Andere belangrijke wegen die oost-west liepen verbonden Sulcis met Caralis, één variant liep door de valei van de rio Cixerri en de andere variant langs de kust langs Bithia (Chia) en Nora (Pula), en een andere verbond Portus Tibulas met Portus Liguidonis aan de oostkust via Caput Tyrsi (de bron van de rivier Tirso) 2. Secundaire wegen waren aangelegd die andere plaatsen met deze hoofdwegen verbonden. Tharros lag westelijk van het hoofdtraject van de weg a Tibulas Sulcis, een inscriptie op een mijlpaal die in Cabras is gevonden geeft aan dat de plaats als caput viae van het traject Tharros-Cornus werd beschouwd 3. Een andere secundaire weg (deverticulum) liep van Neapolis via Acquae Napolitanae (bij Sardara) en Uselis naar Forum Traiani.

Langs deze wegen waren vaak rustplaatsen gebouwd waar de hoogwaardigheidsbekleders of koeriers in dienst van de Romeinse keizer (cursus publicum) konden uitrusten of hun paarden wisselen. Zo'n praetorium, zoals deze genoemd werden, is gevonden bij Marrubiu, in het gehucht Is Bangius (De baden), een mooi voorbeeld hoe de functie van antieke plaatsen nog te zien is in de lokale naamgeving. Een ander praetorium zou Domu 'e Cubas zijn geweest dat naast San Salvatore op het schiereiland van Sinis ligt 4.

b. de scheepvaart

Su Pallosu aan de noordzijde van het schiereiland van Sinis
Su Pallosu aan de noordzijde van
het schiereiland van Sinis

Het vervoer van de produkten ging meest per ossewagen over de wegen naar de havens 5. De belangrijkste havens in de Romeinse tijd zijn die van Turris Libisonis, Olbia en Caralis. Daarnaast waren er nog meer kleinere havensteden, al dan niet van fenicisch-punische oorsprong, vanwaaruit de produkten van het directe achterland werden verscheept. Archeologen doen naast onderzoek naar havenstructuren ook onderzoek naar scheepswrakken om een indruk te krijgen van het soort lading dat de schepen vervoerden en welke routes ze namen. Daaruit blijkt ook dat Sardinië ook in de Romeinse tijd op een kruispunt van vaarwegen in de Middellandse Zee lag: vanuit Midden- en Zuid-Italië (Rome en Napels) voeren de schepen via de straat van Bonifatius naar Spanje en vanuit Noord-Afrika (Karthago) richting Zuid-Frankrijk (Marseille). Deze zeeroutes bleven tot ver in de Middeleeuwen belangrijk 6.

Dat de scheepvaart niet zonder gevaren was blijkt wel uit de vele scheepswrakken die met name bij de kleinere eilanden en bij rotsen gevonden zijn. Berucht was de straat van Bonifatius tussen Sardinië en Corsica, het Fretum Gallicum. Vermeldenswaardig zijn ook de scheepswrakken rond het eiland Mal di Ventre. Één van de wrakken was geladen met baren lood die zo'n tweeduizend jaar onder water hebben gelegen. De lading was niet alleen interessant voor de archeologen, ook in de wereld van de natuurkundigen was de interesse groot in verband met mogelijke toepassingen van dit lood als isolatie materiaal bij het opwekken van nucleaire energie. De onderwaterarcheologie heeft veel bijgedragen aan de kennis over scheepvaart en economie in de romeinse tijd, hoewel men steeds opnieuw te maken heeft met illegale praktijken van duikers die op zoek zijn naar interessante vondsten voor de zwarte markt. Vindplaatsen worden daarom ook angstvallig geheimgehouden en er wordt constant gesurveilleerd door de kustwacht. Veel onderzoek is in de laatste jaren gedaan naar de haven Korakodes limen (of portus, korakodes is grieks voor cormoraan) die aan de noordzijde van het schiereiland van Sinis lag bij Putzu Idu 7.

Het platteland: de villa-economie en de Barbaria

Hoewel niet uitgebreid archeologisch onderzoek is gedaan naar de villa-economie op Sardinië is men van mening dat met name in het achterland van de steden deze van groot belang was en nauw verbonden aan de export van granen naar Rome. Het is bekend dat belangrijke families zowel de produktie van het graan als het transport ervan zelf organiseerden, zoals de familie Eutychianus in het territorium van Cuglieri (bij Bosa). De Romeinse villa was opgedeeld in een pars urbana en een pars rustica. De pars urbana was bedoeld voor de eigenaar om te wonen en was vaak uitgerust met alle luxe en eigen baden. De pars rustica was het deel dat voor de produktie zorg droeg en werd gerund door een opzichter die onder andere ook toezicht hield op de slaven. De villa was een autarkisch bedrijf waar het overschot van de produktie verkocht en geëxporteerd werd. De villa-economie in Sardinië bouwde voort op de bestaande grote latifundia van de voormalige punische overheersers waardoor de overgang naar het romeinse systeem vrij gemakkelijk ging. In de meeste gevallen kwamen de Romeinse eigenaren echter nooit op Sardinië en was de pars urbana minder luxueus uitgevoerd. De kleine familiebedrijven verdwenen en er kwam een nieuwe middenklasse van grondbezitters op die middelgrote landbouwbedrijven in handen hadden. Rond de villae en middelgrote landbouwbedrijven ontstonden kleine dorpjes waar slaven, betaalde werkkrachten en ambachtslieden woonden en werkten, het landschap in de vlaktes en rond de steden romaniseerde 8.

De binnenlanden van Sardinië daarentegen waren dan wel in theorie ager publicus populi Romani en de boeren waren dus belastingplichtig aan Rome (de decimus, een tiende), maar de stammen die er woonden waren niet geromaniseerd en de economie was nog steeds gebaseerd op kleinschaligheid, zelfvoorziening en gemeenschappelijk gebruik van het omliggende territorium 9. Met name in die zones waar veel nuraghi voorkwamen bleef de produktie kleinschalig en bleven nuraghi ook in de Romeinse tijd bewoond en in gebruik en werd er geen villa systeem geïntroduceerd. In veel gevallen is er zelfs een terugkeer van bewoning in nuraghi geconstateerd waar deze onder de punische overheersing verlaten waren. Overschotten in graanproduktie en de produkten van veeteelt werden verhandeld. Voorbeelden van nuraghi en nuraghe dorpen die in de Romeinse tijd nog bewoond werden zijn Nuraghe Genna Maria en Nuraghe Losa 10. De Romeinen noemden het meest interne gebied van Sardinië de Barbaria (het tegenwoordige Barbagia) waar stammen als de Iliensis, de Balari, de Barbaricini en de Gallilensis woonden die meer leefden van de veeteelt 11. Lange tijd overvielen deze stammen de villae in de vruchtbare vlaktes en roofden wat ze konden. Om dit tegen te gaan legden de Romeinen enkele militaire versterkte kampen aan in het gebied en interveniëerden ze met gerichte acties tegen de stammen. Onder Augustus kwam Sardinië dan ook direct onder keizerlijke bestuur omdat de pacificatie van het territorium nog steeds niet gelukt was en werd er een cohors (VII?) Lusitanorum gestationeerd in de plaats Austis (oorspronkelijk Augusti) 12. Ook Forum Traiani, waar een cohors I Corsorum was gelegerd, had een belangrijke functie voor het onder controle houden van de stammen in de regio 13. Verder was er vanaf de eerste helft van de eerste eeuw na Chr het cohors III Aquitanorum equitata gestationeerd. Dit cohors werd in 74 na Chr verplaatst naar de provincie Germania Superiore 14. Alleen door het verzet van de Sardische stammen te breken kon uiteindelijk de romanisering tot in het binnenland doordringen.

Andere economische activiteiten op Sardinië in de Romeinse tijd

Belangrijk voor het zuidwesten van Sardinië was de ertswinning. Metalen als ijzer, lood, koper, zilver en zelfs goud werden gewonnen het gebied van de Iglesiente. De lokale bevolking en slaven werkten er, maar in de loop van de tijd verbanden de Romeinen ook politieke tegenstanders en misdadigers naar Sardinië om daar in de mijnen tewerkgesteld te worden. Rond Cagliari en aan de westkust op het schiereiland van Sinis werd zout gewonnen. Deze activiteit was gekoppeld aan de visvangst, waaronder die van tonijn, en de conservering van de visprodukten. Uit archeologische opgravingen blijkt ook dat koraal verwerkt werd in sieraden, net als in de voorgaande punische periode 15.

Een bijzondere inscriptie: De Tafel van Esterzili

In de romeinse tijd werden belangrijke wetten en geschriften in brons of op steen gegraveerd. Zo waren militaire diploma's, uitgegeven na het beeindigen van de diensttijd, in brons uitgevoerd. Niet veel van deze inscripties hebben de tand des tijds overleefd. Brons is altijd zeer gewild geweest omdat dit metaal makkelijk om te smelten was. Beelden (voor de kerk) en kanonnen werden vaak van bronsresten gegoten waardoor veel verloren is gegaan. Toch kan het voorkomen dat een belangrijke vondst wordt gedaan, zoals die van de Tafel van Esterzili, een in brons gegraveerd document waarop een samenvatting van een uitspraak in een rechtszaak door proconsul Lucius Helvius Agrippa is te lezen inzake een geschil tussen de stam van de Gallilenses en die van de van oorsprong Campaanse Patulcenses. De proconsul herstelde de rechtmatige grens tussen de gebieden van de beide stammen op basis van de grens die 170 jaar eerder door proconsul Marcus Caecilius Metellus vastgesteld was. De bronzen plaat die twintig kilo woog was 61 centimeter bij 45 centimeter groot. Deze inscriptie is een waardevolle bron over de geschillen die er waren tussen de verregaand geromaniseerde landbouwers, de Patulcenses, en de stammen die in de binnenlanden vooral veeteelt bedreven en rondtrokken met hun kuddes in hun stamgebied, de Gallilenses.

De bronzen inscriptie, die in de Romeinse tijd aan een muur had gehangen als herinnering aan deze uitspraak, werd in 1866 teruggevonden door een inwoner van Esterzili en aan Giovanni Spano overhandigd. De beroemde archeoloog Theodor Mommsen werd door Giovanni Spano op de hoogte gesteld en beiden publiceerden tegelijkertijd de tekst voor de wetenschappelijke wereld. Na de dood van Giovanni Spano werd de bronzen plaat aan het museum van Sassari geschonken waar het nu nog te bezichtigen is. Door historici wordt de Tafel van Esterzili nog altijd als de belangrijkste inscriptie van romeins Sardinië beschouwd 16.

Noten

1 Mastino 2005: p. 333-340, de informatie in dit artikel is voornamelijk ontleend aan dit werk; Dyson 2007: p. 149-150
2 Mastino 2005: p. 333-340, met kaart van de romeinse wegen op Sardinië; Belli 1988
3 Mastino 2005: p. 378; Acquaro 1999: p. 11
4 Mastino 2005: p. 369; Donati 1992: p. 48-53 Le terme di Domu 'e Cubas door Raimondo Zucca.
5 Mastino 2005: p. 334
6 Zucca 2003: In het boek Insulae Sardiniae et Corsicae beschrijft de auteur naast de kleinere eilanden rond Corsica en Sardinië ook de gevonden scheepswrakken en de navigatie rond Sardinië aan de hand van bronnen uit de antieke tijd.
7 Mastino 2005: p. 188; Mastino 2006: In Tharros Felix 2 doen diverse auteurs waaronder Raimondo Zucca, Attilio Mastino en Pier Giorgio Spanu verslag van het onderzoek naar scheepswrakken in en bij Putzu Idu en het eilandje voor de kust Sa Tonnara
8 Mastino 2005: p. 180-183; Dyson 2007: p. 139
9 Mastino 2005: p. 183; Mastino 2004: p. 92
10 Dyson 1992: p. 484-489; Dyson 2007: p. 137, 139-140; Webster 1992: p. 462-468
11 Mastino 2005: p. 307
12 Mastino 2005: p. 310-311, 395
13 Mastino 2005: p. 296,395; Zucca 1986: p. 5
14 Mastino 2005: p. 395-396
15 Mastino 2005: p. 185-189; Mastino 2004: p. 98-102; Dyson 2007: p. 171
16 Mastino 2005: p. 137-144; De tekst van de Tafel van Esterzili is opgenomen in het Corpus Inscriptionem Latinorum (CIL) in volume X nummer 7852; Ruggeri 1999: p. 255-256, inleiding op de heruitgave van het tijdschrift van G. Spano uit 1866 waarin deze de tekst van de Tafel van Esterzili publiceert; Dyson 2007: p. 135 (Foto van de tafel van Esterzili)

Bibliografie

1. Acquaro, C. e C. Finzi 1999, Tharros, Sassari
2. Belli, E. 1988: La viabilità romana nel Logudoro-Meilogu, in: Il Nuraghe S. Antine nel Logudoro-Meilogu, ed. A. Moravetti, Sassari, p. 331-395
3. Donati, A. and R. Zucca 1992, L'ipogeo di San Salvatore, Sassari
4. Dyson, S.L. 1992, Roman Sardinia and Roman Britain in: Sardinia in the Mediterranean: A footprint in the sea, ed. R. H. Tykot and T.K. Andrews, Sheffield, p. 484-492
5. Dyson, S.L. and R.J. Rowland 2007: Shepherds Sailors and Conquerors, Philadelphia
6. Mastino, A. 2004, La Sardegna romana in: Storia della Sardegna, ed. M. Brigaglia, Cagliari, p. 75-130
7. Mastino, A. 2005: Storia della Sardegna Antica, Sassari
8. Mastino, A. P.G. Spanu, R. Zucca 2006: Tharros Felix 2, Roma
9. Ruggeri, P. 1999, Africa ipsa parens illa Sardiniae studi di storia antica e di epigrafia, Sassari
10. Webster, G.S. and M. Teglund 1992, Toward the study of colonial-native relations in Sardinia from c. 1000 BC-AD 456 in: Sardinia in the Mediterranean: A footprint in the sea, ed. R. H. Tykot and T.K. Andrews, Sheffield, p. 448-473
11. Zucca, R. 1986: Fordongianus, Sassari
12. Zucca, R. 2003: Insulae Sardiniae et Corsicae: le isole minori della Sardegna e della Corsica nell'antichità, Roma

Laatst gewijzigd 06/01/2014

Reisgids mee?

Download Reisgids
©2019 Tharros.info Sitemap Privacy Contact