De Punische overheersing van Sardinië

Gedurende de zevende en zesde eeuw voor Christus vonden op Sardinië belangrijke veranderingen plaats. Twee parallele ontwikkelingen in het mediterrane gebied waren hiervan de oorzaak: de veranderende politieke en economische verhoudingen in het oostelijke Middellandse Zeegebied die invloed hadden op Tyrus en de andere fenicische steden en de opkomende politieke en economische macht van de belangrijkste kolonie van Tyrus, Carthago, die uiteindelijk de belangrijkste macht in het westelijke Middellandse Zeegebied zou worden. Dit had zijn weerslag op de fenicische nederzettingen op Sardinië en door de veranderende verhoudingen ook op de Sardische bewoners van het eiland. Het uiteindelijke resultaat van deze ontwikkelingen was dat Sardinië aan het einde van de zesde eeuw voor een groot deel onder Carthaagse (Punische) invloed kwam te staan 1. Veel van wat bekend is over deze punische periode en de opkomst van Carthago komt uit antieke bronnen, van Romeinse en Griekse schrijvers, die een eenzijdig beeld gaven van Carthago. Tenslotte waren de Puniërs zowel de tegenstanders van de Grieken op Sicilië als de vijanden van Rome in drie punische oorlogen. Tegenwoordig kunnen we onze kennis aanvullen met archeologisch onderzoek naar deze periode 2.

Carthago versus Sardinië

De Fenicische steden in Libanon raakten tegen de zevende eeuw voor C steeds meer geïsoleerd van het westen. Dit had drie belangrijke oorzaken. De eerste was de agressieve politiek van de Assyriërs, die gericht was op dominantie in het Midden-Oosten en Egypte, en dus een grote bedreiging vormde voor de zelfstandigheid van de Fenicische stadstaten. De tweede reden was de toenemende inflatie van de zilverprijs, veroorzaakt door de grote toestroom van dit metaal via Tyrus naar het oosten waardoor de lange reizen naar Spanje op den duur niet meer lonend waren. Tenslotte, de derde reden, was er de succesvolle kolonisatie door de Grieken van Sicilië en Zuid-Italië waardoor de lange afstandsreizen moeilijker werden omdat de fenicische kooplieden niet meer overal vrij konden afmeren of te maken kregen met piraterij en toenemende concurrentie 3. Vanuit het oosten kwam er een secundaire golf van kolonisatie op gang die veel meer dan de voorgaande het doel had voor de migranten om zich stabiel te vestigen in de bestaande stadjes in het westen en een territorium in het achterland in te nemen 4. Deze migratie wordt treffend geillustreerd in de legende van de stichting van Carthago die gaat over de vlucht van de zuster van de koning van Tyrus, Elissa (Dido) met een aantal vooraanstaande kooplieden via Cyprus naar Noord-Afrika en hoewel deze legende niet letterlijk moet worden genomen is er een grond van historiciteit 5.

Tegen de helft van de zesde eeuw voor Christus, ongeveer rond 540 v C, vergrootte Carthago zijn invloed op de Fenicische koloniën; eerst op Sicilië en toen op Sardinië. Volgens de antieke bronnen, overgenomen door veel historici, voerde Carthago een expansionistische politiek. Waar Malchus (of Malko), de generaal van het leger van Carthago, in Sicilië leek te zijn geslaagd in zijn opzet om de Fenicische nederzettingen te onderwerpen, zou hij op Sardinië een nederlaag hebben geleden tegen de gecombineerde krachten van de Fenicische steden en de proto-Sarden die niet van zins waren zich te onderwerpen 6. In de archeologische vondsten zijn inderdaad sporen uit deze periode van vernietiging en brand aangetroffen, zoals in Monte Sirai (dat ook verlaten werd) en Nuraghe Su Nuraxi. De vraag is echter of Carthago inderdaad een agressief militair expansionisme bedreef of dat de destructie niveau's te maken hadden met interne strijd tussen Sarden en Feniciërs 7. Uiteindelijk lukte het Carthago om ook controle te krijgen over de Fenicische nederzettingen op Sardinië. Twee belangrijke gebeurtenissen uit de laatste decennia van de zesde eeuw worden in de bronnen genoemd die van belang waren voor Sardinië en die er op duiden dat het eiland onder Carthaags bestuur was komen te vallen. De eerste is de zeeslag in de Sardijnse Zee (Mar Sardonio) van de Carthagers tegen de Fokeeërs waar Herodotos gewag van maakt en de tweede het verdrag van Carthago met Rome van 509 voor Christus dat genoemd wordt door Polybius.

De Fokeeërs, die al eerder Massalia (Marseille) en Alalia (Corsica) gesticht hadden, werden door de Perzen uit Klein-Azië verdreven. Ze vestigden zich na omzwervingen op Corsica en maakten de Tyrheense zee onveilig met hun piraterij op Etruskische en Punische (en dus ook Sardische) schepen. Carthago en de Etrusken vielen gezamenlijk de Grieken aan wat uitmondde in een zeeslag, de eerste die door de geschiedschrijvers is vastgelegd en bekend staat als de slag in de Zee van Sardinië. Hoewel de Grieken de overwinning opeisten verlieten de Fokeeërs Corsica voorgoed en vestigden zich in Zuid-Italië (in Velia, nu nog een archeologische site op het Italische vasteland) 8.

In het verdrag tussen Carthago en Rome van 509 voor Christus stond dat de Romeinen onder voorwaarden handel mochten drijven op Sardinië, wat door archeologen en historici als bewijs wordt gezien dat het eiland definitief onder Carthaags bestuur viel 9. Sardinië zou onder deze Punische overheersing blijven tot 238 voor Christus, en slechts eenmaal wordt gewag gemaakt van een algemene opstand tegen de Carthagers in 368 voor Christus 10.

De Punische aanwezigheid op Sardinië

Architectuur en urbanisatie

In de punische tijd kreeg de urbanisatie van de Fenicische nederzettingen een sterke impuls. Er werden muren met bastions rond de stadjes gebouwd om deze te verdedigen en er werden tempels opgericht, gebouwd in steen 11. Hoewel de meeste tempels in de latere romeinse tijd veranderingen ondergingen is de punische oorsprong van deze gebouwen nog te zien. In Nora was de tempel van Eshmun/Esculapius een van oorsprong punisch heiligdom en er stond een tempel gewijd aan Tanit op de plek van een voormalige nuraghe. In Tharros menen archeologen dat de grote tempel met halfzuilen in dorische stijl een van oorsprong punische tempel is geweest. In Bithia zijn tenslotte de resten van een punisch heiligdom gewijd aan de Egyptisch god Bes gevonden 12. Op het platteland werden sommige complexe nuraghi omgevormd tot heiligdommen gewijd aan Kore/Demeter, zoals Nuraghe Lugherras, Nuraghe Genna Maria en Nuraghe Su Mulinu 13. Het bekendste heiligdom dat een punische oorsprong heeft is wel de Tempel van Antas, gewijd aan de god Sid, die geassocieerd werd aan de belangrijkste godheid van de Sarden 14.

De tophet bleef een belangrijk heiligdom waar in de punische tijd veel gebruik van werd gemaakt. Veel steles (grafzuilen) dateren juist uit deze punische tijd 15. Het Punische spectrum van goden omvatte Tanit (de punische naam voor Astarte), Melqart (vgl. Baal) en Eshmun. Uit de punische tijd stammen ook de grafkamers die in Sulcis (Sant'Antioco) een uitgebreid doolhof aan catacomben vormen en die zelfs tot in de 20ste eeuw nog in gebruik waren als woning voor de armen 16. Ook nabij Tharros zijn soortgelijke grafkamers te zien die echter al deels zijn ingestort met de rotswand waar ze in uitgehouwen waren.

De verdergaande urbanisatie van de stadjes op Sardinië bleek ook uit de instelling van een administratieve en politieke organisatie naar Carthaags model. Uit inscripties blijkt dat het hoogste politieke ambt bekleed werd door de suffetes (suffeet komt van het fenicische woord sophtim, rechters) gekozen door het volk. Mogelijk kenden de steden ook een Raad van Ouden zoals deze bekend is van Carthago 17.

Economie in de punische tijd

Volgens de Romeinen werden de landbezitters onder het Carthaags bewind gedwongen om alleen granen te verbouwen en was de aanplant van fruitbomen, olijfbomen en druiveranken verboden. Mogelijk dat dit bericht uit de Romeinse historische geschriften propagandistisch bedoeld was om de Puniërs in een kwaad daglicht te stellen. In ieder geval was Sardinië voor Carthago van belang voor het leveren van graan zoals dat later ook voor Rome het geval was 18. Het beeld dat de antieke auteurs ons schetsen van punische grootgrondbezitters die exclusief graan produceerden voor de stad Carthago wordt door archeologisch onderzoek aanzienlijk genuanceerd. Uit deze onderzoeken blijkt dat bijvoorbeeld rond Neapolis, een stadje dat in de punische tijd gesticht werd, het achterland vrij intensief bewerkt werd en dat er vooral veel kleine boerderijen waren, sites waar met name punisch aardewerk gevonden is. Meer naar het binnenland toe, langs de rivier de Mogoro en in de Marmilla was het inheemse component naast de punische in de vondsten op eveneens vooral kleinere sites veel groter en dat zou kunnen wijzen op punische invloeden bij Sardische bewoners. Uit hetzelfde onderzoek blijkt ook een grotere continuïteit van bewoning en gebruik van nuraghi dan uit voorgaande onderzoeken, mogelijk veroorzaakt door onbekendheid van sommige onderzoekers met het punische aardwerk waardoor dit vaak over het hoofd is gezien 19.

Bijzonder uit deze tijd is de produktie van sieraden in goud en zilver en diverse soorten edelstenen (gebruik van jasper, koraal) uit Tharros die overal in het westelijke deel van het Middellandse Zeegebied zijn teruggevonden. Een deel hiervan is gelukkig gespaard gebleven van de plunderingen door de onvermijdelijke schatgravers die uit de punische grafkamers veel geroofd hebben en is nog te bewonderen in de diverse musea waaronder het British Museum in London 20. Uit de punische periode stammen ook de eerste geslagen munten (3de eeuw v C), naar voorbeeld van Carthago die met het slaan van munten begon om de huurlingen uit het leger te betalen. De Sardische munten hadden meestal een beeltenis van Kore-Demeter en op de achterzijde van een korenhalm of een paard. De munten zijn te zien in het Archeologisch museum van Cagliari 21.

Noten

1 Punisch is een romeinse verbastering van het woord Phoinike waar de Grieken de Feniciërs mee bedoelden en die door de archeologen en historici gebruikt wordt om de periode aan te duiden waarin Carthago een belangrijke rol speelde in het westen.
2 Van Dommelen 1998, p 22-24. De Romeinse en Griekse geschiedschrijvers die zich bezighielden met de Punische geschiedenis waren met name Diodorus van Sicilië en later Polybius als opmaat naar de punische oorlogen. Livius daarentegen beschrijft met name de tweede punische oorlog toen Sardinië al Romeins was. Goede lectuur voor geïnteresseerden in de geschiedenis van Carthago is het boek van Richard Miles: Carthago, in een nederlandse vertaling verschenen.
3 Markoe 2000, p.140-143; Bunnens 1983, p. 191; Frankenstein 1979, p.291; Bondì 2000, p. 57 e.v.; Van Dommelen 1998, p 116
4 Barreca 1974, p.46; Sheratt and Sheratt 1993, p. 370-371
5 Het verhaal wordt verteld door de dichter Vergilius
6 Barreca 1974, p. 57; Moscati 1985, p. 147 ; Bondì 2000, p. 63-65
7 Pesce 1961, p 77; Barreca 1974, p. 58; Van Dommelen 1998, p 120-125
8 Barreca 1974, p. 63; Moscati 1985, p. 148, Morel 2000, p. 21-25; Gras 2000, p.37-43; Colonna 2000, p. 47-53
9 Barreca 1974, p. 64; Moscati 1985, p. 148; Fantar 2000, p. 84; Mastino 2005, p. 63
10 Barreca 1974, p. 69-70 ; Moscati 1985, p. 150
11 Barreca 1974, p. 142; Moscati 1985, p. 149
12 Pesce 1961, p. 115, 265 en Moscati 1985, p 226 e.v. (Bithia); Acquaro 1996, p 42-45 en Acquaro 1999, p 59,60 (Tharros); Tronchetti 1986, p 16-18,57-61 (Nora)
13 Van Dommelen 1998, p 151,153
14 Barreca 1974, p. 142 en 244 e.v.; Moscati 1985, p. 149; Zucca 1989, p 33-38
15 Barreca 1974, p. 232; Moscati 1985, p. 161; Tronchetti 1995, p. 3-11
16 Moscati 1985, p. 162-163
17 Van Dommelen 1998, p 127
18 Moscati 1985, p. 251
19 Van Dommelen 1998 p. 129, 130-142, zie ook de vorige pagina met betrekking to de archeologische surveys en de relatie tussen de inheemse bevolking en de feniciërs
20 Moscati 1985, p. 183
21 Acquaro 1999, p 530-533

Bibliografie

1. Acquaro, C. e A. Mezzolani 1996, Tharros, Roma
2. Acquaro, C. e C. Finzi 1999, Tharros, Sassari
3. Acquaro, E. 1999, Coins in: The Phoenicians, ed. S. Moscati (first published on the occasion of the exhibition The Phoenicians at the Palazzo Grassi Venice 1988), New York, p. 524-535
4. Barreca, F. 1974: La Sardegna fenicia e punica, Sassari
5. Bondì, S.F. 2000: Fenici e punici nel Mediterraneo occidentale tra il 600 e il 500 a C, in: Maxe. La battaglia del Mare Sardonio, ed. P. Bernardini, P.G. Spanu e R. Zucca, Cagliari-Oristano, p. 57-72
6. Bunnens, G. 1983: Considerations geographiques sur la place occupée par la Phénicie dans l'expansion de l'empire Assyrien, in: ed. E. Gubel, E. Lipinski, B. Servais-Soyez, Studia Phoenicia I-II, Leuven, p. 169-193
7. Colonna, G. 2000: I Tyrrhenoi e la battaglia del Mare Sardonio, in: Maxe. La battaglia del Mare Sardonio, ed. P. Bernardini, P.G. Spanu e R. Zucca, Cagliari-Oristano, p. 47-56
8. Fantar, M.H. 2000: Carthage au temps de la bataille de la Mer Sardonienne, in: Maxe. La battaglia del Mare Sardonio, ed. P. Bernardini, P.G. Spanu e R. Zucca, Cagliari-Oristano, p. 73-84
9. Frankenstein, S. 1979: The Phoenicians in the far west. A function of Neo-Assyrian imperialism, in: ed. M.T. Larsen, Power and Propaganda. A symposion on ancient empires, Copenhagen
10. Gras, M. 2000: La battaglia del Mare Sardonio, in: Maxe. La battaglia del Mare Sardonio, ed. P. Bernardini, P.G. Spanu e R. Zucca, Cagliari-Oristano, p. 37-46
11. Markoe, G.E. 2000: Peoples of the past. Phoenicians, London
12. Mastino, A. 2005: Storia della Sardegna Antica, Sassari
13. Morel, J.P. 2000: Les Phoceens et la mer Tyrrhenienne au VIe siecle, in: Maxe. La battaglia del Mare Sardonio, ed. P. Bernardini, P.G. Spanu e R. Zucca, Cagliari-Oristano, p. 19-36
14. Moscati, S. 1985, Italia Punica, Milano
15. Pesce, G. 1961, Sardegna Punica heruitgegeven in 2000, Nuoro
16. Sherratt, A.G. & E.S. Sherratt 1993: The growth of the Mediterranean economy in the early first millenium B.C., in: World Archeaology 24, p. 361-378
17. Tronchetti, C. 1986, Nora, Sassari
18. Tronchetti, C. 1995, Il tophet di S. Antioco e le sue stele, Sant'Antioco
19. Van Dommelen, P. 1998, On Colonial Grounds, Leiden
20. Zucca, R. 1989: Il tempio di Antas, Sassari

Laatst gewijzigd 19/08/2015

Reisgids mee?

Download Reisgids
©2019 Tharros.info Sitemap Privacy Contact