De Feniciërs op Sardinië

De periode die het meest tot de verbeelding van archeologen en historici spreekt is die van de contacten tussen de Feniciërs en de bewoners van de gebieden in het westelijke Middellandse Zeegebied. Sardinië speelt een belangrijke rol in deze onderzoeken juist omdat er veel prehistorische overblijfselen zijn. Aanvankelijk sprak men van de stichting van steden en van kolonisatie, analoog aan de Griekse kolonisatie, maar langzamerhand is het beeld dat men zich heeft gevormd van de Fenicische expansie genuanceerder geworden. In de discussies stond het moment van kolonisatie centraal, evenals de vorm waarin dit plaats vond. Dit kwam door de Griekse en Romeinse geschiedschrijvers die aan steden als Karthago en Rome een stichtingsmythe verbonden die een duidelijk moment moest aangeven van de geboorte van de stad. Later zijn zulke stichtingsmythes ook opgesteld voor minder belangrijke stadjes in de Romeinse tijd. De oudheidkundigen en archeologen zochten lange tijd naar bewijzen voor de stichting van de koloniën, en waar ze geen afdoende antwoord konden geven spraken ze van een pre-koloniale fase. Hoe ontstonden deze contacten tussen Fenicische kooplieden en de stammen op Sardinië? Kan men spreken van kolonisatie en in hoeverre? Hoe waren deze contacten tussen de kooplieden en de Sardische stammen?

De ontwikkeling van de Fenicische handel

Al in de bronstijd waren er contacten tussen Sardinië en het oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied. Myceens aardewerk van de late Bronstijd dat op Sardinië is teruggevonden is daarvoor een aanwijzing, ook al kan men hier niet uit opmaken wat voor contacten er waren geweest 1. Na ongeveer 1200 voor Christus, met het wegvallen van de paleiscultuur in Mycene, bleven met name Cypriotische kooplieden directe of indirecte handel met Sardinië drijven 2. Pas rond de tiende eeuw voor Christus nam in Fenicië (Phoenicia, het huidige Libanon) het belang van Tyrus als belangrijkste handelsstad toe, daarmee de zustersteden Sidon, Sarepta en Byblos (Gebal) voorbijstrevend. Hoewel men in het algemeen spreekt van Feniciërs (ook wel als Phoeniciërs geschreven), kwamen de kooplieden niet alleen uit dit deel van het midden-oosten maar uit het wijdere Syrisch-Palestijnse gebied. De eerste aanwijzing van een Fenicische expansie naar het westen is op Cyprus gevonden. Tyrus stichtte daar de kolonie van Kition (Kittim). Van daaruit drongen de Feniciërs langzaam steeds verder door naar het westen. Er zijn aanwijzingen dat Fenicische kooplieden zich op Kreta (Kommos) vestigden, op Malta en in uiteindelijk in Spanje 3.

Kaart van de Middellandse Zee met de belangrijkste zeeverbindingen tussen de Fenicische nederzettingen, zie ook het artikel over de fenicische scheepvaart

De Middellandse Zee

De Feniciërs in het westelijke Middellandse Zeegebied

Het is dan ook aannemelijk dat pas in de achtste eeuw voor Christus de Feniciërs de eerste permanente nederzettingen stichtten op Sardinië: Tharros, Sulcis (Sant'Antioco), Nora en mogelijk Karales (Cagliari). Ze legden daarmee de basis voor een handelsnetwerk in het hele westelijke deel van de Middellandse Zee; in Spanje (Huelva en Gades/Cadiz), Noord-Afrika (van Utica in Tunesië tot Lixus in Noord-Marokko), Malta, Sicilië (Motya, Panormus/Palermo). De drijfveer voor deze expansie van de Feniciërs lag deels in de lucratieve handel in zilver met Zuid-Spanje, die aan de Assyriërs doorverkocht werd, en deels in de handel in luxe goederen uit het oosten waardoor de kooplieden een actieve rol in de regionale handels netwerken konden spelen 4. Vandaar dat nederzettingen als Sulcis, Pithekoussai (Ischia) en Motya ook wel "ports of trade" of "ports of call" genoemd worden waar naast de Feniciërs ook Griekse kooplieden (onder andere Euboiers die Sardinië Ichnoussa noemden) actief waren 5. In deze periode van expansie die samenviel met de Griekse kolonisatie van Sicilië en Zuid-Italië (Groot-Griekenland), waren de Feniciërs niet uit op territoriale bezittingen maar juist uit op handel en vreedzame coëxistentie met de inheemse bevolking 6. Het is dan ook aannemelijk dat Tharros geen grote invloed had op het achterland, maar meer een rol speelde in het grotere Fenicische handelsnetwerk 7. In de zevende eeuw voor C werden op Sardinië een aantal secundaire nederzettingen gesticht waarvan Othoca, Monte Sirai en Bithia de belangrijkste zijn 8.

Fenicische nederzettingen op Sardinië

Het belangrijkste bewijs van de stichting van nederzettingen komt van de openlucht heiligdommen (gewijd aan Baal of Astarte) die opgegraven zijn in Tharros, Nora, Sulcis, maar ook in Sicilië en Noord-Afrika voorkomen, Motya (Sicilië), Karthago (Tunesië). In de tofet of tophet, een van oorsprong hebreeuws woord dat overgenomen was uit een bijbelse passage over een openlucht heiligdom, werden urnen met offerresten bestaande uit as en verbrandde beenderen van kinderen en dieren bijgezet. In een latere tijd werden ook votief stenen (stele's) met reliëfs geplaatst. Door de resten in de urnen kon men dateringen geven voor de oudste deposities en neemt men aan dat deze overeenkomen met de vroegste permanente vestiging van de Feniciërs. Opvallend is dat in de secundaire nederzettingen aanvankelijk geen tofet aanwezig was maar dat deze alleen in Bithia en in Monte Sirai in de zesde eeuw v C werden ingericht 9.

Belangrijk voor de stichting van nederzettingen was ook de oprichting van tempels, gewijd aan Melqart (de god van de stad Tyrus, El-Qart), waarvan sporen teruggevonden zijn in Gades (Cadiz), of aan Astarte die van Cypriotische oorsprong was 10. Astarte is door de Grieken later geassocieerd met Aphrodite.

Veel resten van Fenicische bouwwerken zijn er niet meer te zien. Meestal betreft het (kunst-)voorwerpen en beelden die gevonden zijn en in de diverse musea tentoongesteld worden. Vooral van belang is de steen van Nora met de oudste bekende inscriptie van de naam van Sardinië (SRDN) die gedateerd wordt op de negende eeuw voor Christus, en die te bezichtigen is in het Archeologisch Museum te Cagliari 11. Daarnaast is er in de context van Fenicische graven ook aardewerk gevonden, te zien in hetzelfde archeologische museum. Het fenicische aardewerk wordt gekenmerkt door licht gekleurd aardewerk met versieringen en motieven in rode verf, red-slip ware genoemd 12.

De Feniciërs en de Sarden

Een belangrijke studie naar de effecten van de Fenicische kolonisatie is onder leiding van Peter van Dommelen uitgevoerd in de jaren negentig van de vorige eeuw, de Riu Mannu Field Survey Project (Universiteit Leiden). Dankzij een omvangrijke methodologische survey is inzicht verkregen in de ontwikkelingen van bewoning en landgebruik in centraal-west Sardinië en een beter zicht op de invloed van de Feniciërs op deze ontwikkelingen.

In de loop van de achtste en zevende eeuw voor C intensiveerden de contacten tussen de Fenicische kooplieden en de Sardische stammen. Deze contacten waren gebaseerd op een mechanisme dat in de archeologie en de anthropologie gift exchange wordt genoemd. Het ging bij gift exchange niet altijd om het één op één uitwisselen van geschenken, maar vooral om het scheppen van een band of verplichtingen die ook op een niet-materiële wijze ingelost konden worden 13. De Feniciërs waren uit op het verkrijgen van metalen en andere produkten. Deze verwierven ze via de lokale Sardische elite die daarmee hun invloed en macht op de Sardische bevolking vergrootten. Het blijkt ook dat in deze periode de concentratie van bewoning toenam, in de nuraghe dorpen rond belangrijke complexe nuraghi, tot heiligdommen omgevormde complexe nuraghi of water heiligdommen, ten nadele van de gedecentraliseerde nuraghi, een aanwijzing voor de veranderende sociale verhoudingen binnen de stammen 14.

De archeologische survey

Een belangrijke non-destructieve methode van archeologisch onderzoek is de survey. Hierbij wordt in een groter gebied systematisch de aan de oppervlakte aanwezige archeologische vondsten geraapt en gecatalogiseerd. Aangezien de gebieden te groot zijn om elke vierkante meter te belopen worden tevoren representatieve secties gedefinieerd die onderzocht worden. Dit geeft een breder inzicht in het gebruik van het land in de prehistorie. Vaak worden naast de surveys ook de meest interessante plaatsen onderwerp van een destructieve opgraving. Men is echter tegenwoordig terughoudender met het uitvoeren van opgravingen juist in verband met het destructieve karakter ervan.
De techniek van de survey is toegepast door Van Dommelen in centraal-west Sardinië, en is ook door andere archeologen in de Marmilla en op het schiereiland van Sinis gebruikt om een breder inzicht te krijgen in de aard van de contacten tussen Feniciërs en Sarden 15.

Zie ook de projecten van Peter van Dommelen, op dat moment verbonden aan de Glasgow University
Terralba Rural Settlement Project - Progetto Terralba

In de inheemse, Sardische, context werden Fenicische of in het algemeen niet-inheemse voorwerpen aangetroffen. Behalve Fenicisch aardewerk en brons betrof dit ook voorwerpen van de Villanova-cultuur, later de Etruskische cultuur. In de context van strikt Fenicische graven werden ook wel Sardische voorwerpen aangetroffen. Het voorkomen van "exotische" produkten in Sardische context wil nog niet zeggen dat deze de Fenicische of Etruskische cultuur zonder meer aanvaardden als superieur, een voorwerp kon een andere betekenis en een andere toegekende waarde krijgen binnen de eigen cultuur. Uit de archeologische vondsten blijkt overigens dat Fenicische voorwerpen niet zo vaak voorkwamen buiten de Fenicische nederzettingen en dat zou aantonen dat de invloed van de Feniciërs op de Sardische stammen aanvankelijk veel kleiner was dan gedacht, ook al omdat de bijzondere vondsten in het verleden relatief veel aandacht kregen 16.
De grotere macht in handen van de lokale elites uitte zich in een versterking van de lokale identiteit die niet perse gekopieerd werd van de Fenicische kooplieden maar die zich ook konden uiten in vormen die de eigen identiteit versterkten. Een voorbeeld hiervan zijn de manshoge beelden van de necropolis bij Monte Prama die geïnspireerd zijn op de veelvoorkomende bronzen beeldjes (bronzetti) 17.

Noten

1 Markoe 2000, p.21, 177
2 Mathäus 2000, p. 48-49; Sherratt & Sherratt 1993, p.364-365
3 Sherratt & Sherratt 1993, p.364; Karageorghis 1999, p.186-189; Aubet 1993, p.42 e.v.; Markoe 2000, p.173; Niemeyer 1989, p.20
4 Markoe 2000, p.180; Sherratt & Sherratt 1993, p. 363; Mathäeus 2000, p. 56-57; Frankenstein 1979, p. 280-283
5 Sherratt & Sherratt 1993, p. 368; Markoe 2000, p. 179; Frankenstein 1979, p. 278; Coldstream , p.263-264; Buchner , p.279; Botto 1989, p.235,241
6 Markoe 2000, p. 177
7 Van Dommelen 1998, p 105-107
8 Van Dommelen 1998, p 80-82
9 Aubet 1993, p. 216,217;Markoe 2000, p. 132, 136; Van Dommelen 1998, p 82-83, 104
10 Markoe 2000, p. 89, 130, 139; Röllig 1979, p. 20; Niemeyer 1989, p. 7 e.v.
11 Guzzo Amadasi 1967, p. 83 noot over de datering van de stele van Nora gevonden in 1773
12 Bartoloni 1983: studi sulla ceramica fenicia e punica in Sardegna
13 Renfrew 2000, p. 353-355
14 Van Dommelen 1998, p. 109-112
15 Renfrew 2000, p. 76-77; Van Dommelen 1998, p. 60-61
16 Van Dommelen 1998, p. 107-109
17 Van Dommelen 1998, p. 110

Bibliografie

1. Aubet, M.E. 1993, The Phoenicians and the West. Politics Colonies and Trade, Cambridge (first published in Spanish, 1987)
2. Bartoloni, P. 1983, Studi sulla ceramica fenicia e punica in Sardegna, Roma
3. Botto, M. 1989: Considerazioni sul commercio fenicio nel tirreno nell'VIII e nel VII secolo a. C., in: Istituto Universitario Orientale Annali Archeologia e Storia Antica XI, Napoli
4. Buchner, G. 1979: Die Beziehungen zwischen der euboïschen kolonie Pithekoussai auf die Insel Ischia und dem nordwestsemitischen Mittelmeerraum in der Zweiten Hälfte des 8. Jhr v. Chr., in: ed. H.G. Niemeyer, Phönizier im Westen, Köln, p. 277-298
5. Coldstream, J.N. 1979: Greeks and Phoenicians in the Aegean, in: ed. H.G. Niemeyer, Phönizier im Westen, Köln, p. 261-272
6. Frankenstein, S. 1979: The Phoenicians in the far west. A function of Neo-Assyrian imperialism, in: ed. M.T. Larsen, Power and Propaganda. A symposion on ancient empires, Copenhagen
7. Guzzo Amadasi, M.G. 1967: Le iscrizioni fenicie e puniche delle colonie in occidente, Roma
8. Karageorghis, V. 1999, Cyprus in: The Phoenicians, ed. S. Moscati (first published on the occasion of the exhibition The Phoenicians at the Palazzo Grassi Venice 1988), New York, p. 185-198
9. Markoe, G.E. 2000: Peoples of the past. Phoenicians, London
10. Matthäus, H. 2000: Die Rolle Zyperns und Sardiniens im Mittelmeerischen interaktionsprozess während der Späten Zweiten und Frühen ersten Jahrtausends v. Chr., in: Der Orient und Etrurien, Roma
11. Niemeyer, H.G. 1989, Das frühe Karthago und die phönizische Expansion im Mittelmeerraum, Als öffentlicher Vortrag der Joachim Jungius-Gesellschaft der Wissenschaften gehalten am 31. Mai 1988 in Hamburg, Göttingen
12. Renfrew, C. and P. Bahn 2000: Archaeology: Theories Methods and Practice, London
13. Röllig, W. 1979: Die Phönizier des Mutterlandes zur Zeit der Kolonisierung, in: ed. H.G. Niemeyer, Phönizier im Westen, Köln, p. 15-28
14. Sherratt, A.G. & E.S. Sherratt 1993: The growth of the Mediterranean economy in the early first millenium B.C., in: World Archeaology 24, p. 361-378
15. Van Dommelen, P. 1998, On Colonial Grounds, Leiden

Laatst gewijzigd 01/02/2015

Reisgids mee?

Download Reisgids
©2019 Tharros.info Sitemap Privacy Contact